Andere informatie en diensten van de overheid: www.belgium.be

Op deze website wordt geprobeerd om de materie rond beroepsziekten zo duidelijk mogelijk uit te leggen. Toch blijft dit complex, zeker wanneer het gaat over de berekening van vergoedingen.

Om zo transparant en volledig mogelijk te zijn, worden hieronder een aantal termen toegelicht die gebruikt worden binnen het toepassingsgebied van de beroepsziekten. Sommige begrippen en berekeningsregels zijn technisch en vooral relevant voor specialisten of mensen die zich grondig willen verdiepen in de regelgeving.

Afbeelding louter ter illustratie

  • Vergoeding of rente : wat is het verschil?

    Op deze website wordt vaak de algemene term “vergoeding” gebruikt als verzamelbegrip voor financiële tussenkomsten bij beroepsziekten.
    Juridisch gezien wordt er echter een onderscheid gemaakt tussen:

    • een vergoeding bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid, en

    • een rente bij blijvende arbeidsongeschiktheid of overlijden.

     

    Vergoeding bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid

    Een vergoeding wordt toegekend wanneer er sprake is van tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte. In die situatie is herstel of verbetering nog mogelijk.

    De vergoeding is bedoeld als compensatie voor het tijdelijke loonverlies doordat werken tijdelijk niet of slechts gedeeltelijk mogelijk is.

    De vergoeding:

    • wordt toegekend zolang de arbeidsongeschiktheid tijdelijk is,

    • wordt berekend als een percentage van het basisloon,

    • eindigt wanneer de tijdelijke arbeidsongeschiktheid stopt of wanneer de toestand als stabiel wordt beschouwd.

     

    Rente bij blijvende arbeidsongeschiktheid of overlijden

    Een rente wordt toegekend wanneer er sprake is van blijvende arbeidsongeschiktheid of bij het overlijden van het slachtoffer.

    Blijvende arbeidsongeschiktheid betekent dat de gezondheidstoestand als stabiel wordt beschouwd en dat de gevolgen van de beroepsziekte blijvend zijn.

    De rente is bedoeld als schadevergoeding voor de blijvende gevolgen die de beroepsziekte heeft op de mogelijkheid om inkomen te verwerven.

    De rente:

    • heeft een langdurig of blijvend karakter,

    • wordt berekend als een percentage van:

      • het basisloon in de privésector, of

      • de jaarlijkse bezoldiging bij provinciale en plaatselijke overheidsdiensten,

  • Basisloon

    Het basisloon is geen vergoeding, maar een middel om een vergoeding, namelijk de rente te berekenen.

    De vergoeding bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid wordt berekend als een percentage van het basisloon, zowel in de privésector als bij provinciale en plaatselijke overheidsdiensten.

    Bij blijvende arbeidsongeschiktheid of overlijden van het slachtoffer wordt de vergoeding in de privésector eveneens berekend als een percentage van het basisloon. Voor werknemers van provinciale en plaatselijke overheidsdiensten wordt in dat geval een percentage van de jaarlijkse bezoldiging gebruikt.

     

    Wat is het basisloon?

    Het basisloon is het loon waarop een werknemer recht had tijdens de vier volledige kwartalen die voorafgaan aan de vergoedingsaanvraag voor een beroepsziekte.

    Voor deze berekening gebruikt Fedris de loon- en prestatiegegevens die door de werkgever werden aangegeven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) via de multifunctionele aangifte (DmfA).

    De wetgeving bepaalt een minimum- en maximumbasisloon (zie hieronder).
     

    Hypothetisch loon

    Wanneer iemand in de vier referentiekwartalen:

    • dagen of uren niet heeft gewerkt, of

    • door uitzonderlijke omstandigheden een lager loon ontving dan normaal,

    kan een hypothetisch loon worden gebruikt.
    In dat geval worden ook de dagen meegerekend waarvoor geen loon werd ontvangen, zodat de vergoeding een realistischer beeld geeft van het normale inkomen.

     

    Gemiddeld loon van een beroepscategorie

    Een gemiddeld jaarloon van werknemers uit dezelfde beroepscategorie kan worden toegepast wanneer:

    • het schadelijke werk al geruime tijd vóór de begindatum van de arbeidsongeschiktheid werd stopgezet en een gezonder, maar lager betaald werk werd aanvaard, of

    • er in de drie jaar vóór de begindatum van de arbeidsongeschiktheid een verandering was van werkgever of functie.

     

    Bijzondere toepassingsgevallen

    1. Minderjarigen en leerlingen

    Tijdelijke arbeidsongeschiktheid
    Het basisloon wordt berekend op basis van de werkelijke verdiensten, met als minimum het vastgelegde minimumbasisloon.

    Blijvende arbeidsongeschiktheid of overlijden
    Er wordt gekeken naar de beroepscategorie waartoe het slachtoffer normaal zou hebben behoord bij het bereiken van de meerderjarigheid of het einde van de leerovereenkomst.
    Het basisloon bedraagt minstens het gemiddelde loon van meerderjarige werknemers uit die beroepscategorie.

    2. Gepensioneerden die bijverdienen

    Voor zowel tijdelijke als blijvende arbeidsongeschiktheid wordt het basisloon berekend op basis van de werkelijke (beperkte) prestaties.
    Indien nodig worden deze inkomsten beperkt tot de grenzen van toegelaten beroepsactiviteit die gelden binnen de pensioenregeling.

    Meer informatie over gepensioneerden die bijverdienen op de website van de Federale pensioendienst.

    3. Deeltijds tewerkgestelden

    Tijdelijke arbeidsongeschiktheid
    De vergoeding wordt berekend op basis van de deeltijdse prestaties.

    Blijvende arbeidsongeschiktheid of overlijden
    De vergoedingen en renten worden berekend alsof er sprake is van een voltijdse tewerkstelling.

    Wanneer iemand bij meerdere werkgevers deeltijds werkt:

    • wordt voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid het basisloon berekend als de som van alle deeltijdse lonen;

    • wordt bij blijvende arbeidsongeschiktheid enkel rekening gehouden met de functie die werd uitgeoefend op het moment van het arbeidsongeval of de vergoedingsaanvraag, omgerekend naar een voltijds regime.

     

    Forfaitaire basislonen

    Voor bepaalde categorieën van werknemers gelden forfaitaire basislonen, waaronder:

    • Personen die instaan voor kinderopvang via een erkende dienst
      → Gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen (GGMMI) voor een voltijdse werknemer × 12 (zie hieronder)

    • Jongeren ouder dan 18 jaar in een beroepsopleiding tot ondernemingshoofd
      → Vast bedrag dat jaarlijks wordt geïndexeerd  (zie hieronder)

    • Zeelieden van de koopvaardij (pdf)

    • Zeevissers (pdf)

  • Maximum- en minimumbedrag van het basisloon

    De arbeidsongevallenwet bepaalt een minimumbasisloon en een maximumbasisloon.
    Deze grenzen hebben betrekking op het loon dat als basis dient voor de berekening van vergoedingen en renten.

    Het maximumbasisloon bepaalt het hoogste loonbedrag dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening. Het gedeelte van het loon dat boven deze grens ligt, wordt niet meegerekend.

    Het minimumbasisloon is een technische ondergrens binnen de arbeidsongevallenwet. Het bepaalt hoe laag het loon mag zijn dat als berekeningsbasis dient, maar staat niet los van andere geldende minimumlonen.

    In de praktijk mag het basisloon:

    • niet hoger zijn dan het wettelijk vastgelegde maximumbasisloon;

    • niet lager zijn dan de geldende minimumlonen die voortvloeien uit collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO’s);

    • en in geen geval lager zijn dan het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen (GGMMI), dat de absolute ondergrens vormt.

    De bedragen van het minimum- en maximumbasisloon zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen en worden automatisch aangepast.

    Voor arbeidsongevallen en beroepsziekten vanaf maximumbasisloon minimumbasisloon
    01.01.2026 58.096,10 € 8 666,78 €
    01.01.2025 55 841,37  € 8 330,42€
    01.01.2024 54 743,48 € 8 166,64 €
    01.01.2023 53 087,42 € 8 006,70 €
    01.01.2022 48 084,06 € 7 252,09 €
    01.01.2021 45 711,80 € 6 970,14 €
    01.01.2020 44 817,89 € 6 833,84 €
    01.01.2019 44 330,26 € 6 833,84 €
    01.01.2018 43 460,34 € 6 699,73 €
    01.01.2017 42 270,08 € 6 568,38 €
    01.01.2016 41 442,43 € 6 439,20 €
    01.01.2015 40 927,18 € 6 439,20 €
    01.01.2014 40 927,18 € 6 439,20 €
    01.01.2013 40 927,18 € 6 439,20 €
    01.01.2012 38 564,91 € 6 188,85 €
    01.01.2011 (Arbeidsongevallen) 37 545,92 € 6 067,83 €
    01.01.2011 (Beroepsziekten) 37.808,74 € 6 067,83 €
    01.01.2010 36 809,73 € 5 948,76 €
    01.01.2009 36 809,73 € 5 948,76 €
    01.01.2008 35 099,83 € 5 717,93 €
    01.01.2007 34 411,60 € 5 605,69 €
    01.01.2006 33 403,08 € 5 495,89 €
    01.01.2005 32 748,12 € 5 388,04 €
    01.09.2004 31 578,00 € 5 282,14 €
    01.01.2004 26 410,73 € 5 282,14 €
    01.01.2003 25 893,45 € 5 178,69 €
    01.01.2002 25 386,29 € 5 077,25 €
    01.01.2001 24 888,76 € 4 977,75 €
    01.01.2000 24 400,16 € 4 880,03 €
    01.01.1999 23 921,97 € 4 784,39 €
    01.01.1998 23 921,97 € 4 784,39 €
    01.01.1997 946.080 BEF 189.216 BEF
    01.01.1996 927.540 BEF 185.508 BEF
    01.01.1995 927.540 BEF 185.508 BEF
    01.01.1994 909.360 BEF 181.872 BEF
    01.01.1993 891.510 BEF 178.302 BEF
    01.01.1992 874.050 BEF 174.810 BEF
    01.01.1991 840.090 BEF 168.018 BEF
    01.01.1990 807.480 BEF 161.496 BEF
    01.01.1989 791.640 BEF 158.328 BEF
    01.01.1988 776.130 BEF 155.226 BEF
    01.01.1987 776.130 BEF 155.226 BEF
    01.01.1986 776.130 BEF 155.226 BEF
    01.01.1985 760.890 BEF 152.178 BEF
    01.01.1984 731.370 BEF 146.274 BEF
    01.01.1983 689.160 BEF 137.832 BEF
    01.01.1982 636.690 BEF 127.338 BEF
    01.01.1981 588.210 BEF 117.642 BEF
    01.01.1980 543.420 BEF 108.684 BEF
    01.01.1979 522.300 BEF 104.460 BEF
    01.01.1978 502.020 BEF 100.404 BEF
    01.01.1977 473.070 BEF 94.614 BEF
    01.01.1976 437.040 BEF 87.408 BEF
    01.01.1975 395.850 BEF 79.170 BEF
    01.01.1974 337.860 BEF 67.572 BEF
    01.01.1973 318.360 BEF 63.672 BEF
    01.01.1972 300.000 BEF 60.000 BEF
  • Jaarlijkse bezoldiging (provinciale en plaatselijke overheidsdiensten)

    De jaarlijkse bezoldiging is geen vergoeding, maar een middel om een vergoeding, namelijk de rente te berekenen.

    Voor werknemers van provinciale en plaatselijke (gemeentelijke) overheidsdiensten wordt de rente bij blijvende arbeidsongeschiktheid berekend als een percentage van de jaarlijkse bezoldiging.  Dat geldt trouwens ook voor de berekening van de rente voor de nabestaanden van een overleden slachtoffer

    De vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid bij werknemers van provinciale en plaatselijke (gemeentelijke) overheidsdiensten wordt overigens berekend als een percentage van het basisloon (zelfde regeling als in de privésector).

     

    Wat is de jaarlijkse bezoldiging?

    De jaarlijkse bezoldiging is de wedde waarop de werknemer recht heeft op het moment waarop de beroepsziekte wordt vastgesteld.

    Ze omvat:

    • de eigenlijke wedde,

    • aangevuld met de toelagen of vergoedingen die voortvloeien uit het financiële statuut, zoals vakantiegeld, eindejaarspremie en andere premies.

     

    Maximumbedrag

    De jaarlijkse bezoldiging die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van een rente is begrensd.
    Het maximumbedrag bedraagt € 24.332,08 (index 1,38).

     

    Bijzondere regeling bij onvolledige prestaties

    Wanneer minder werd gewerkt dan de normale jaarlijkse arbeidsduur van een ambt met volledige prestaties, gelden speciale regelingen. In dat geval wordt de wedde aangevuld met een hypothetische bezoldiging.

  • Gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen

    Het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen (GGMMI) is een minimumloon dat alleen geldt voor werknemers in de privésector. In de publieke sector bestaat geen algemeen minimumloon zoals het GGMMI. Daar wordt het loon vastgelegd via wettelijke of reglementaire loon- of weddeschalen, die elk een eigen minimum bevatten.

    Werknemers van minstens 21 jaar die voltijds werken onder een arbeidsovereenkomst hebben recht op een gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen (GGMMI), ongeacht hun bedrijfstak of het paritair comité waaronder ze vallen.

    Het GGMMI is vooral van belang voor werknemers die niet onder een paritair comité vallen, of onder een paritair comité dat nog niet is samengesteld of waarvoor nog geen collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten (CAO 43). Paritaire comités kunnen immers via sectorale cao’s gunstigere minimumlonen vastleggen.

    Het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen is niet identiek aan een klassiek minimummaandloon. In het GGMMI zijn ook bepaalde vergoedingen begrepen die in de loop van het jaar worden uitbetaald. Zo kan bijvoorbeeld een eindejaarspremie of een dertiende maand worden meegeteld om na te gaan of het GGMMI wordt nageleefd.

    Voor minderjarigen is het GGMMI afhankelijk van de leeftijd (CAO50).

    Voor deeltijdse werknemers wordt het GGMMI berekend in verhouding tot het deeltijdse arbeidsregime ten opzichte van het voltijdse arbeidsregime dat in de onderneming van toepassing is (CAO 35).

    Meer informatie over het GGMMI en een actueel overzicht van de geldende sectorale minimumloonbarema’s is te vinden op de website van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (FOD WASO).

  • Forfaitaire basislonen voor jongeren in opleiding tot ondernemingshoofd (privésector)

    In principe worden vergoedingen bij beroepsziekten berekend op basis van het basisloon  of de jaarlijkse bezoldiging, maar voor  jongeren in opleiding tot ondernemingshoofd is er een uitzondering voorzien. Daar gebeurt de berekening van de vergoeding/rente op basis van een forfaitair basisloon.

    Sinds 1 januari 2020 worden de forfaitaire basislonen voor jongeren in opleiding tot ondernemingshoofd als volgt vastgesteld.

    • Bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid bestaat het forfaitair basisloon uit het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen × 12.

    • Bij blijvende arbeidsongeschiktheid bestaat het forfaitair basisloon uit het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen × 18.

    Hieronder staan de forfaitaire bedragen die van toepassing waren binnen het oude vergoedingsstelsel.

    Forfaitair basisloon – jongeren in opleiding tot ondernemingshoofd (oude regeling)

    Arbeidsongevallen en beroepsziekten vanaf Forfaitair basisloon
    01.01.2019 € 20.344,60
    01.01.2018 € 19.946,48
    01.01.2017 € 19.555,63
    01.01.2016 € 19.172,04
    01.01.2015 € 19.172,04
    01.01.2014 € 19.172,04
    01.01.2013 € 19.172,04
    01.01.2012 € 18.426,67
    01.01.2011 € 18.066,33
    01.01.2010 € 17.711,82
    01.01.2009 € 17.711,82
    01.01.2008 € 17.024,54
    01.01.2007 € 16.690,36
    01.01.2006 € 16.363,44
    01.01.2005 € 16.042,33
    01.01.2004 € 15.727,03
    01.01.2003 € 15.419,00
    01.01.2002 € 15.116,78
  • Gewaarborgd loon

    Het gewaarborgd loon is het loon dat een werkgever gedurende een bepaalde periode verder moet betalen wanneer een werknemer tijdelijk niet kan werken door ziekte of een ongeval.

    Het gaat om een verplichting van de werkgever die voortvloeit uit het arbeidsrecht. Het gewaarborgd loon is geen vergoeding van Fedris en ook geen tussenkomst van het ziekenfonds.

     

    Wanneer is er gewaarborgd loon?

    Gewaarborgd loon is van toepassing wanneer iemand arbeidsongeschikt wordt tijdens een lopende tewerkstelling. De concrete regels (duur en b edrag) hangen onder meer af vanhet statuut (arbeider of bediende), de anciënniteit en de geldende arbeidswetgeving.

    De wettelijke bepalingen over het gewaarborgd loon maken deel uit van de regels over de schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens ziekte of ongeval.

     

    Wat is de relatie met beroepsziekten?

    Bij een beroepsziekte kan er een periode zijn waarin:

    • de werkgever eerst gewaarborgd loon betaalt, en

    • nadien een vergoeding voor arbeidsongeschiktheid wordt toegekend in het kader van de regeling voor beroepsziekten.

    Om te vermijden dat hetzelfde inkomensverlies twee keer wordt vergoed, worden bedragen die al als gewaarborgd loon betaald zijn verrekend bij de uitbetaling van de vergoeding.

     

    Verrekening bij achterstallige bedragen

    Wanneer vergoedingen met terugwerkende kracht worden toegekend (achterstallen), gebeurt de verrekening doorgaans in deze volgorde:

    1. het gewaarborgd loon dat de werkgever al betaalde;

    2. eventuele voorschotten van andere instellingen (bijvoorbeeld het ziekenfonds);

    3. het resterende saldo dat aan de betrokkene wordt uitbetaald.

     

    Bevoegde overheid

    De regels over het gewaarborgd loon behoren tot het arbeidsrecht en vallen onder de bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (FOD WASO).

    Meer informatie over het gewaarborgd loon en de schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens ziekte of ongeval is te vinden op de website van de FOD WASO.