Andere informatie en diensten van de overheid: www.belgium.be

Over Fedris

Taken en bevoegdheden

De opdrachten van Fedris hebben te maken met

  • Arbeidsongevallen en beroepsziekten van werknemers in de privésector

  • Beroepsziekten van werknemers van de gemeentelijke en provinciale overheidsdiensten

  • Beroepsziekten van stagiairs met een beroepsopleidingsovereenkomst, in alle sectoren

  • Arbeidsongevallen in de overheidssector

Voor beroepsziekten is Fedris vaak het eerste aanspreekpunt (Fedris is bijna altijd de verzekeraar of herverzekeraar). Bij arbeidsongevallen is dat vaak de werkgever of de verzekeringsonderneming, maar Fedris heeft hier wel een controlerende en ondersteunende functie.

En wat als je ergens anders werkt?

  • Werknemer bij een publieke dienst die geen provinciale of plaatselijke overheid is?  In dat geval wordt je aanvraag voor een beroepsziekte behandeld via je werkgever.
  • Werknemer in vast dienstverband (statutuair), of werkzaam bij de NMBS of als militair?  In dat geval wordt je arbeidsongeval of je aanvraag voor een beroepsziekte behandeld via je werkgever.
  • Zelfstandige?  Het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ) helpt je bij je verplichtingen voor de sociale zekerheid.

 

Fedris werkt rond vier kerntaken
  • 1. Fedris controleert

    Fedris heeft een controlerende taak tegenover werkgevers en verzekeringsondernemingen bij arbeidsongevallen . De controles richten zich op:

    • het beheer van arbeidsongevallendossiers door verzekeringsondernemingen en overheidsdiensten, op vraag van slachtoffers of op eigen initiatief;

    • dossiers van ongevallen die betwist of geweigerd worden door verzekeringsondernemingen of overheidsdiensten;

    • de regelingsvoorstellen die verzekeringsondernemingen aan slachtoffers doen;

    • de naleving door werkgevers van hun verplichtingen om werknemers te verzekeren en elk ongeval aan te geven.

  • 2. Fedris vergoedt

    Fedris vergoedt slachtoffers van beroepsziekten (of hun nabestaanden), meer bepaald:

    • werknemers uit de privésector;

    • mijnwerkers en gelijkgestelden;

    • zeevarenden van de koopvaardijvloot;

    • personen die na lichamelijke arbeidsongeschiktheid of werkloosheid een beroepsherscholing volgen op grond van een wet of decreet;

    • scholieren, studenten, leerjongens en stagiairs (ook onbezoldigd).

    Fedris vergoedt slachtoffers van arbeidsongevallen (of hun nabestaanden), meer bepaald:

    • wanneer de werkgever niet verzekerd is. Fedris treedt dan op als waarborgfonds en verhaalt nadien de kosten op de werkgever of verzekeringsonderneming;

    • voor werknemers uit de koopvaardij of zeevisserij, waar Fedris optreedt als verzekeraar;

    • voor arbeidsongevallen vóór 1 januari 1988 (onder bepaalde voorwaarden);

    • bij blijvende arbeidsongeschiktheid die ten hoogste 19% bedraagt;

    • wanneer arbeidsongevallenvergoedingen worden gecumuleerd met een rust- of overlevingspensioen;

    • voor arbeidsongevallen in België die het gevolg zijn van daden van terrorisme of van de toevallige of onvoorziene aanwezigheid van gevaarlijke stoffen of oorlogstuigen. In dat geval betaalt Fedris de uitgaven van verzekeringsondernemingen terug.

  • 3. Fedris doet aan preventie

    Preventie van beroepsziekten

    Fedris werkt op verschillende manieren aan het voorkomen van beroepsziekten:

    • een programma rond lage rugpijn;

    • een programma ter voorkoming van burn-out

    • terugbetaling van medische onderzoeken voor stagiairs;

    • terugbetaling van bepaalde vaccinaties;

    • voorstellen tot tijdelijke of definitieve werkstopzetting;

    • ondersteuning bij herscholing;

    • gratis advies aan ondernemingen over beroepsrisico’s;

    • wetenschappelijke studies over beroepsziekten.

    Preventie van arbeidsongevallen

    Fedris ondersteunt de FOD Werkgelegenheid door gegevens te delen uit de databank met arbeidsongevallen in de privésector en publieke sector. Die gegevens worden ook gebruikt:

  • 4. Fedris informeert

    Heb je vragen over arbeidsongevallen, beroepsziekten of de werking van de sociale zekerheid rond beroepsrisico’s ?  Dan kan Fedris je helpen. We bieden ondersteuning aan slachtoffers, nabestaanden, werkgevers, verzekeringsondernemingen, artsen, preventiediensten, onderzoekers, studenten....

    Fedris communiceert via verschillende kanalen, zodat informatie toegankelijk is voor een breed publiek. Daarnaast zijn er ook heel wat overlegmomenten met organisaties, sectoren en professionals op het terrein. Fedris ontwikkelt informatie op maat, bijvoorbeeld voor slachtoffers die hun rechten willen begrijpen, voor werkgevers die hun verplichtingen willen naleven of voor artsen die diagnoses of dossiers moeten doorgeven.

    Persoonlijk contact blijft een belangrijk onderdeel van de dienstverlening. Sociaal assistenten zijn beschikbaar tijdens zitdagen in verschillende steden, waar bezoekers rechtstreeks vragen kunnen stellen over hun dossier of algemene informatie kunnen krijgen over arbeidsongevallen of beroepsziekten.  Wanneer iemand zich moeilijk kan verplaatsen, organiseert Fedris huisbezoeken. Ook nabestaanden kunnen op die manier ondersteuning krijgen na een ernstig of dodelijk arbeidsongeval.

    Fedris informeert ook het beleidsniveau. De minister van Sociale Zaken kan beschikken over rapporten, statistieken en analyses over arbeidsongevallen en beroepsziekten. Om de drie jaar wordt een bestuursovereenkomst afgesloten die de strategische richting en doelstellingen van Fedris vastlegt.

Missie, visie en waarden

Onze missie, visie en waarden tonen wat Fedris belangrijk vindt. Ze maken duidelijk welke doelen centraal staan en hoe de organisatie haar rol opneemt. Ze vormen het kompas voor de dagelijkse werking.

 

Onze missie

Als paritair beheerde openbare instelling van sociale zekerheid dragen wij actief bij tot de bescherming en bevordering van de gezondheid van werknemers in het arbeidsmilieu, zowel op het vlak van preventie, als van correcte vergoeding van schade met een professionele oorsprong, als van beroepsherinschakeling en controle van de juiste toepassing van de wetgeving over beroepsrisico’s. Wij informeren en stellen onze kennis en expertise ter beschikking. 

 

Onze visie

Wij positioneren ons als referentie-instelling en expertisecentrum voor het domein  beroepsrisico en delen onze knowhow met al onze stakeholders. We spelen een actieve rol in het maatschappelijke debat over beroepsrisico’s.
Wij dragen bij tot een kwaliteitsvol beleid gericht op preventie en op het behoud van of de terugkeer naar het werk.
Wij waarborgen een correcte en coherente schadeloosstelling van beroepsziekten, slachtoffers van asbest en arbeidsongevallen, rekening houdend met de specificiteit van elke tak.
Wij streven naar een duurzame, dynamische en performante organisatie op mensenmaat.
Dankzij het paritaire beheer leveren wij een bijdrage aan het in stand houden van een duurzaam sociaal overleg.

 

Onze waarden

Klantgerichtheid

Actief luisteren om de vraag van de (interne/externe) klant te begrijpen, proactief optreden, hem adequaat begeleiden en hem alle relevante informatie verstrekken. De klant altijd op de voorgrond zetten door een persoonlijke dienstverlening te verstrekken en positieve contacten te onderhouden.

Verantwoordelijkheidszin

Handelen met oog voor de uitdagingen van de organisatie. Zich volledig inzetten in het kader van het werk door altijd het beste van zichzelf te geven en door te streven naar de hoogste kwaliteit. Volharden, zelfs in geval van moeilijkheden. Beslissingen nemen, duidelijke doelstellingen vastleggen, informeren of delegeren indien nodig. Samenwerken, een teamgeest ontwikkelen en onderhouden.

Openheid & Eerlijkheid

Een open houding en een open geest aannemen ten opzichte van anderen, hun ideeën, hun meningen en hun standpunten. Zich op een open en oprechte manier uitdrukken. Transparant communiceren. Betrouwbaar zijn in relaties met anderen, iedereen rechtvaardig behandelen en eerlijk zijn ten opzichte van anderen.

Respect & Vertrouwen

Respect tonen voor anderen, hun ideeën en hun meningen. De vertrouwelijkheid respecteren. Geloven in het persoonlijke vermogen om een opdracht goed uit te voeren en om de methode te kiezen die het meest geschikt is om een probleem op te lossen. Vertrouwen hebben in de ander, hem aanmoedigen en zijn werk waarderen.

Bestuur en dagelijks beheer

Fedris is een openbare instelling van sociale zekerheid en maakt deel uit van de Belgische federale overheid. Fedris staat onder toezicht van de minister van Sociale Zaken. Op dit moment is dat Minister Frank Vandenbroucke.

Fedris wordt bestuurd door een algemeen beheerscomité, samengesteld uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers. Dat paritaire beheer zorgt ervoor dat beslissingen steeds genomen worden vanuit een evenwicht tussen beide partijen.
Daarnaast bestaan er twee specifieke beheerscomités: één voor arbeidsongevallen en één voor beroepsziekten.

De beheerscomités worden ondersteund door technische adviescomités:

Voor de arbeidsongevallenmaterie:

  • het technisch comité voor de preventie van arbeidsongevallen

  • het medisch-technisch comité

  • het technisch comité voor de zeevisserij

  • het technisch comité voor de koopvaardij

Voor de beroepsziektenmaterie:

  • het technisch comité voor de preventie van beroepsziekten

  • de Wetenschappelijke Raad, die op zijn beurt adviezen ontvangt van een aantal medische commissies

Het dagelijks beheer van Fedris wordt toevertrouwd aan de administrateur-generaal. Die voert de beslissingen uit van de beheerscomités en wordt ondersteund door de adjunct-administrateur-generaal en de leidinggevenden van de verschillende directies, afdelingen en diensten.

algemeen organogram

 

Fedris telt ongeveer 450 medewerkers met uiteenlopende profielen: administratieve medewerkers, dossierbeheerders, sociaal inspecteurs, controleurs, ingenieurs, juristen, artsen, sociaal assistenten, informatici, HR-medewerkers, communicatiemedewerkers, logistieke medewerkers, boekhouders,....

Fedris is aangesloten op het netwerk van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ), wat een veilig en efficiënt gegevensverkeer met andere instellingen mogelijk maakt.

Tot slot is Fedris lid van het Europees Forum van verzekeringen tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten, waar instellingen uit verschillende landen ervaringen en kennis uitwisselen.

Hieronder vind je meer informatie over de drie beheerscomités en de diverse technische comités.

  • Algemeen beheerscomité

    Het algemeen beheerscomité zorgt voor het strategische bestuur van Fedris. Het algemeen beheerscomité formuleert adviezen over de arbeidsongevallen- en beroepsziektenwetgeving aan de voogdijminister. Het neemt ook beslissingen die enerzijds gaan over het praktische beheer van Fedris en anderzijds een invloed hebben op het arbeidsongevallen- en beroepsziektenbeleid. Vaak doet het daarvoor een beroep op de verschillende technische comités die het ondersteunen.

    Naast een voorzitter bestaat het algemeen beheerscomité uit vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties. Aangezien Fedris een openbare instelling van sociale zekerheid is, zetelen er ook twee regeringscommissarissen in het comité. Ook de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal wonen de vergaderingen bij. De administrateur-generaal staat bovendien in voor de uitvoering van de beslissingen.

    De vertegenwoordigers van de representatieve organisaties worden, net als de voorzitter, benoemd door de Koning en zijn de enige stemgerechtigde leden. De regeringscommissarissen hebben het recht om bij hun minister hoger beroep aan te tekenen tegen beslissingen.

    Samenstelling algemeen beheerscomité

    Voorzitter

    • De heer P. DESMAREZ

    Vertegenwoordigers van de representatieve werkgeversorganisaties

    • Mevrouw C. VERMEERSCH (ondervoorzitter van 01.01.2026 tot 31.12.2026)

    • De heer S. DEMARRÉE

    • De heer K. DE MEESTER

    • De heer G. DEPREZ

    • De heer M. DE WILDE

    • De heer D. ROZENBLUM

    Vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties

    • De heer R. DE WEERDT (ondervoorzitter van 01.01.2026 tot 31.12.2026)

    • Mevrouw A. LÉONARD

    • Mevrouw I. DOYEN

    • De heer V. DANAU COLON

    • De heer T. DELEIXHE

    • De heer K. VAN EYCK

    • De heer P. VIGNERON

    Regeringscommissarissen

    • Sociale Zaken: Mevrouw I. VINCENT

    • Begroting: De heer E. MOEYAERT

    Directie

    • Administrateur-generaal: Mevrouw P. LAMBIN

    • Adjunct-administrateur-generaal: De heer J. LUTS

    Secretaris

    • Mevrouw L. MOERNAUT

  • Beheerscomité voor de arbeidsongevallen

    Het beheerscomité voor de arbeidsongevallen is bevoegd voor de opvolging en besluitvorming rond het beleid inzake arbeidsongevallen. Het comité behandelt onder meer adviezen, reglementeringen en beheersaspecten die rechtstreeks verband houden met arbeidsongevallen in de privésector en de overheidssector.

    Net als in het algemeen beheerscomité zetelen vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties, aangevuld met regeringscommissarissen en vertegenwoordigers van toezichthoudende instanties. De administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal wonen de vergaderingen bij. De secretaris ondersteunt het comité organisatorisch.

    Samenstelling van het beheerscomité voor de arbeidsongevallen

    Voorzitter

    • De heer P. DESMAREZ

    Vertegenwoordigers van de representatieve werkgeversorganisaties

    • Mevrouw C. VERMEERSCH (ondervoorzitter van 01.01.2026 tot 31.12.2026)

    • Mevrouw B. VANGAEVER

    • De heer S. DEMARRÉE

    • De heer G. DEPREZ

    • De heer D. ROZENBLUM

    • De heer L. WARLOP

    • De heer P. VAN OBERGEN

    Vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties

    • De heer R. DE WEERDT (ondervoorzitter van 01.01.2026 tot 31.12.2026)

    • Mevrouw A. LÉONARD

    • Mevrouw I. DOYEN

    • De heer V. DANAU COLON

    • De heer T. DELEIXHE

    • De heer K. VAN EYCK

    • De heer P. VIGNERON

    Regeringscommissarissen

    • Sociale Zaken: Mevrouw I. VINCENT

    • Begroting: De heer E. MOEYAERT

    Toezichthoudende instellingen

    • Vertegenwoordiger van de NBB: De heer J-F BODART

    • Vertegenwoordiger van de FSMA: Mevrouw F. DE MIL

    Directie

    • Administrateur-generaal: Mevrouw P. LAMBIN

    • Adjunct-administrateur-generaal: De heer J. LUTS

    Secretaris

    • De heer C. TERLINDEN

  • Beheerscomité voor de beroepsziekten

    Het beheerscomité voor de beroepsziekten staat in voor de strategische opvolging en besluitvorming over het beleid rond beroepsziekten. Het comité behandelt onder meer adviesvorming, reglementaire kwesties en beheersbeslissingen die rechtstreeks verband houden met de preventie, erkenning en vergoeding van beroepsziekten.

    Zoals bij de andere beheersorganen bestaat het comité uit vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties, aangevuld met regeringscommissarissen. De administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal wonen de vergaderingen bij en de secretaris ondersteunt het comité organisatorisch.

    Samenstelling van het beheerscomité voor de beroepsziekten

    Voorzitter

    • De heer P. DESMAREZ

    Vertegenwoordigers van de representatieve werkgeversorganisaties

    • Mevrouw C. VERMEERSCH (ondervoorzitter van 01.01.2026 tot 31.12.2026)

    • Mevrouw C. BOCKSTAL

    • Mevrouw E. DE RYCKE

    • De heer S. DEMARRÉE

    • De heer G. DE PREZ

    • De heer M. DE WILDE

    • Mevrouw M.-L. POTTIER

    Vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties

    • De heer R. DE WEERDT (ondervoorzitter van 01.01.2026 tot 31.12.2026)

    • Mevrouw A. LÉONARD

    • Mevrouw I. DOYEN

    • De heer V. DANAU COLON

    • De heer D. CONINCKX

    • De heer T. DELEIXHE

    • De heer J. LAAOUEJ

    Regeringscommissarissen

    • Sociale Zaken: Mevrouw S. DAMIEN

    • Begroting: De heer E. MOEYAERT

    Directie

    • Administrateur-generaal: Mevrouw P. LAMBIN

    • Adjunct-administrateur-generaal: De heer J. LUTS

    Secretaris

    • Mevrouw C. SERGEANT

  • Technische comités voor de preventie

    Er zijn twee technische comités voor de preventie: één voor de preventie van arbeidsongevallen en één voor de preventie van beroepsziekten, die elk afhangen van het respectievelijk beheerscomité.

    Beide comités geven, op eigen initiatief of op verzoek van hetzij het beheerscomité voor de arbeidsongevallen, hetzij het beheerscomité voor beroepsziekten, advies over:  

    • de preventie van arbeidsongevallen en beroepsziekten;
    • de samenwerking tussen de verschillende preventiediensten en -organismen;
    • een financiële bijdrage van Fedris in preventieprojecten. 
  • Wetenschappelijke raad

    De Wetenschappelijke Raad is een adviesorgaan van Fedris. De Raad bestaat uit experten op het vlak van beroepsziekten en formuleert onder meer voorstellen om nieuwe beroepsziekten te erkennen of om methodes te ontwikkelen ter preventie van beroepsziekten. De Wetenschappelijke Raad brengt jaarlijks verslag uit over zijn werkzaamheden.

    Binnen Fedris zijn verschillende medische commissies actief waarin academici en experten zetelen die gespecialiseerd zijn in een specifieke groep van beroepsziekten. Deze commissies formuleren adviezen voor de Wetenschappelijke Raad. Het gaat om de volgende commissies:

    • Commissie aandoeningen van de ademhalingswegen

    • Commissie beroepskankers

    • Commissie bewegingsapparaat

    • Commissie biologische agentia

    • Commissie chemische en toxische agentia

    • Commissie fysische agentia

    • Commissie huidziekten

    • Commissie nieuwe ziekten

    De Wetenschappelijke Raad:

    • bestudeert zowel erkende beroepsziekten als aandoeningen die nog niet zijn opgenomen in de lijst van beroepsziekten;

    • bepaalt blootstellings-, diagnose- en vergoedingscriteria;

    • onderzoekt welke middelen het meest geschikt zijn om beroepsziekten te voorkomen;

    • formuleert voorstellen over uiteenlopende vraagstukken rond beroepsziekten, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van het beheerscomité of de voogdijminister.

    De Wetenschappelijke Raad is samengesteld uit:

    • een voorzitter;

    • een arts en een plaatsvervanger voor elke Belgische universiteit die een specialisatie arbeidsgeneeskunde organiseert;

    • deskundigen in beroepsziekten, toxicologie en arbeidsbescherming;

    • twee artsen en twee plaatsvervangers van Fedris;

    • twee deskundigen en twee plaatsvervangers aangewezen door de representatieve organisaties die zetelen in het beheerscomité van Fedris.

    Meer informatie?

    Heb je vragen voor of over de Wetenschappelijke raad van Fedris of zijn medische commissies, bezorg ze dan aan scientific.council@fedris.be.

    Een aantal adviezen van de Wetenschappelijke raad vind je dan weer op onze pagina Publicaties.

     

    Samenstelling wetenschappelijke raad

    Voorzitter

    De heer L. GODDERIS

    Artsen, gespecialiseerd inzake arbeidsgeneeskunde en/of beroepsziekten, voorgedragen door de faculteit geneeskunde van elke universiteit die een specialisatie in de arbeidsgeneeskunde inricht

    Université catholique de Louvain
    Effectief lid: mevrouw C. DAHLQVIST
    Plaatsvervangend lid: mevrouw S. GOHY

    Katholieke Universiteit Leuven
    Effectief lid: de heer L. GODDERIS
    Plaatsvervangend lid: mevrouw C. LAMBREGHTS

    Université libre de Bruxelles
    Effectief lid: mevrouw A. HACCURIA
    Plaatsvervangend lid: de heer D. LEDUC

    Université de Liège
    Effectief lid: mevrouw D. RUSU
    Plaatsvervangend lid: de heer M. BORGUET

    Vrije Universiteit Brussel
    Effectief lid: de heer M. VERSÉE
    Plaatsvervangend lid: mevrouw S. HANON

    Universiteit Gent
    Effectief lid: mevrouw L. BRAECKMAN
    Plaatsvervangend lid: mevrouw V. SCHEPENS

    Universiteit Antwerpen
    Effectief lid: de heer S. ACKE
    Plaatsvervangend lid: mevrouw B. CLAESEN

    Ingenieurs gespecialiseerd in preventie van beroepsziekten

    Effectief lid: de heer G. BOOGAERTS
    Plaatsvervangend lid: de heer J. VAN BOUWEL

    Deskundige in het domein van de scheikunde, in het bijzonder in de industriële toxicologie

    Effectief lid: mevrouw V. LIBOTTE

    Artsen gespecialiseerd inzake beroepsziekten, verbonden aan de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg

    Effectieve leden

    De heer P. REYNTJENS
    De heer D. GAHIDE

    Plaatsvervangende leden

    Mevrouw C. D'HONDT
    Mevrouw K. LYSENS

    Artsen van Fedris

    Effectieve leden

    Mevrouw C. PHILLIPS
    De heer C. HENRIQUEZ

    Plaatsvervangende leden

    De heer O. POOT
    Mevrouw A. VAN RAEMDONCK

    Preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren, waarvan de ene verbonden aan een IDPBW, de andere aan een EDPBW, voorgedragen door de meest representatieve organisaties van preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren

    Effectief lid: mevrouw C. NANA NANJOUO
    Plaatsvervangend lid: de heer P. ROTSAERT

    Deskundigen aangeduid door de representatieve organisaties die zetelen in het beheerscomité van Fedris

    Effectieve leden

    De heer K. VAN EYCK
    De heer K. DE MEESTER

  • Medisch-technisch comité

    Het medisch-technisch comité geeft, op eigen initiatief of op verzoek van het specifiek beheerscomité voor de arbeidsongevallen, advies over verschillende medische en technische aspecten binnen het arbeidsongevallenstelsel. Het comité behandelt onder meer:

    • medische problemen die het gevolg zijn van een arbeidsongeval;

    • de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid;

    • de vergoedingen, bijslagen en vormen van sociale bijstand die worden toegekend op basis van de arbeidsongevallenwet (artikel 58, § 1).

    Daarnaast neemt het medisch-technisch comité beslissingen over:

    • de erkenning van de medische en farmaceutische diensten, de verplegingsdiensten, de orthopedisten en de medische centra voor prothesen en orthopedische toestellen;

    • de jaarlijkse aanpassing van de prijzen, de gebruiksduur en de onderhoudskosten van prothesen en orthopedische toestellen. Deze gegevens vormen de basis voor de voorzieningen die verzekeringsondernemingen moeten aanleggen.

    Het comité bestaat uit een voorzitter, vertegenwoordigers van de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve werknemersorganisaties, de representatieve gehandicaptenorganisaties, vertegenwoordigers van de drie gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling, een arts van de medische dienst van Fedris en een secretaris.

  • Technisch comité voor de zeevisserij

    Het technisch comité voor de zeevisserij is bevoegd voor de dossiers van zeevissers. Het comité geeft, op eigen initiatief of op verzoek van het specifiek beheerscomité voor de arbeidsongevallen, advies over:

    • de basislonen van de zeelieden;

    • de bedragen van de premies die de reders aan Fedris verschuldigd zijn;

    • de aanvragen om schadeloosstelling die door zeelieden of hun rechthebbenden worden ingediend.

    Het comité bestaat uit een voorzitter, vier vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de reders uit de sector en vier vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de zeevissers.

  • Technisch comité voor de koopvaardij

    Het technisch comité voor de koopvaardij is bevoegd voor de zeelieden die werkzaam zijn in de koopvaardij. Het comité geeft, op eigen initiatief of op verzoek van het specifiek beheerscomité voor de arbeidsongevallen, advies over:

    • de basislonen van de zeelieden;

    • de bedragen van de premies die de reders aan Fedris verschuldigd zijn;

    • de aanvragen om schadeloosstelling die door zeelieden of hun rechthebbenden worden ingediend.

    Het comité bestaat uit een voorzitter, vier vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de reders uit de sector en vier vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de zeelieden ter koopvaardij.

Financiering

Wanneer Fedris een schadevergoeding uitbetaalt gebeurt dat via het Globaal Beheer van de sociale zekerheid, georganiseerd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ). Het Globaal Beheer verdeelt middelen over de verschillende takken van de sociale zekerheid, waaronder Fedris.

Daarnaast beschikt Fedris over eigen inkomstenbronnen. Zo int Fedris middelen bij: 

  • verzekeringsondernemingen
  • reders van de zeevisserij
  • werkgevers die niet verzekerd zijn.

Werkgevers die zich niet correct verzekeren tegen arbeidsongevallen worden door Fedris ambtshalve aangesloten, en aangeslagen voor bijdragen en kosten die normaal door een verzekeraar gedragen zouden worden.

Wanneer Fedris een vergoeding uitbetaalt omdat een werkgever niet verzekerd was of fouten maakte in de aangifte, kan Fedris deze kosten nadien terugvorderen bij de verantwoordelijke werkgever.

Bestuursovereenkomst

In een bestuursovereenkomst worden de belangrijkste afspraken vastgelegd tussen Fedris en de overheid. Het document omschrijft welke doelstellingen in een bepaalde periode moeten worden bereikt.  Door deze afspraken formeel vast te leggen, ontstaat een duidelijk referentiepunt voor iedereen die wil begrijpen hoe Fedris haar maatschappelijke opdracht invult.

Hieronder vind je alle bestuursovereenkomsten sinds de oprichting van Fedris op 1 januari 2017:

Bestuursovereenkomst FAO-FBZ voor de periode 2016-2018 (pdf)

Bestuursovereenkomst Fedris voor de periode 2019-2020 - bijvoegsel (pdf)

Bestuursovereenkomst Fedris voor de periode 2021 - bijvoegsel (pdf)

Bestuursovereenkomst Fedris voor de periode 2022-2025 (pdf)

Wetgeving

Het Belgische stelsel voor beroepsziekten en arbeidsongevallen  is vastgelegd in een aantal kernwetten, aangevuld met koninklijke besluiten en andere uitvoeringsbepalingen.

De belangrijkste wetten binnen dit stelsel zijn:

De wet van 3 juli 1967 is een kaderwet en is slechts van toepassing wanneer dit uitdrukkelijk werd vastgelegd in een koninklijk besluit.  Voor publieke werkgevers is het daarom noodzakelijk na te gaan welk koninklijk besluit op hen van toepassing is, waarvan deze belangrijkste zijn.

Welk van deze koninklijke besluiten van toepassing is, hangt af van het type werkgever en de betrokken personeelscategorie.
Omdat deze afbakening niet altijd evident is, bestaat er een oriënterend overzichtsdocument dat in detail toelicht wanneer welk koninklijk besluit van toepassing is. Dit document vormt een praktisch vertrekpunt om het juiste wettelijke kader te bepalen, zonder dat elk koninklijk besluit afzonderlijk moet worden doorgenomen.

Daarnaast bestaat er dus een uitgebreid geheel van koninklijke besluiten, ministeriële besluiten, reglementen en andere uitvoeringsbepalingen die de regelgeving verder aanvullen en concreet maken. Deze documenten worden hieronder opgelijst.

Rechtspraak

Hier vind je een overzicht van de belangrijkste arresten van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie sinds 2002. In deze uitspraken worden bepalingen uit de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 geïnterpreteerd. De rechtspraak is per thema gegroepeerd, zodat je snel vindt wat je zoekt.

  • Personeel

    Het toepassingsgebied van de arbeidsongevallenwet valt samen met dat van de sociale zekerheid voor werknemers en zeelieden.

    De Koning kan evenwel, volgens de nadere regelen die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet uitbreiden tot andere categorieën van personen.

    Het cassatiearrest van 03.11.2008 (A.R. nr. S.07.0013.N), J.T.T. 2009, 87, R.W. 2008-2009, 1192, noot P. Popelier, stelt, op eensluidende conclusie van advocaat-generaal Mortier, dat de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde leemte in de arbeidsongevallenwet, met name doordat zij niet van toepassing is op de onbezoldigde stagiairs die, tijdens het verrichten van de door hun studieprogramma voorgeschreven arbeid in een bedrijf, het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval niet zonder meer door de rechter kan worden opgevuld door die wet van toepassing te verklaren op deze categorie van personen. Het opvullen van deze leemte vereist onder meer dat bepaald wordt wie voor de toepassing van de arbeidsongevallenwet beschouwd wordt als de werkgever op wie de strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting rust een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan voor de bedoelde onbezoldigde stagiairs. De rechter kan dit niet in de plaats van de wetgever bepalen.

    Het arrest nr. 186/2004 van 16.11.2004 van het ArbitragehofB.S. 12.01.2005, zegt voor recht dat de arbeidsongevallenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat zij niet van toepassing is op de onbezoldigde stagiairs die, tijdens het verrichten van de door hun studieprogramma voorgeschreven arbeid in een bedrijf, het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval.

  • Arbeidsongeval

    1. Overeenkomstig art. 7, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet wordt voor de toepassing van deze wet als arbeidsongeval aangezien: elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt.

    Het cassatiearrest van 09.11.2015 (A.R. nr. S.15.0039.N) stelt dat het ongeval dat een werknemer tijdens een sportmanifestatie overkomt, als arbeidsongeval kan worden aangenomen, indien wordt vastgesteld dat de werkgever ook tijdens de wedstrijd, waaraan de werknemer zelfs vrijwillig deelneemt, zijn gezag uitoefent of kan uitoefenen, zelfs indien deze sportmanifestatie buiten de normale arbeidsuren plaatsvindt. Het vernietigt evenwel het arrest van het arbeidshof te Gent van 17.04.2014 dat de beslissing dat de getroffene zich onder het gezag van de werkgever bevond op het ogenblik van het ongeval, had gesteund op vaststellingen die daarmee geen verband houden. 

    Het cassatiearrest van 05.12.2011 (A.R. nr. S.11.0001.F), J.T.T. 2012, 100 verbreekt wegens schending van artikel 7, tweede lid, eerste zin, van de arbeidsongevallenwet het arrest van het arbeidshof te Luik, afdeling Namen, van 24.06.2010, dat het vermoeden dat het ongeval zich heeft voorgedaan door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst had afgeleid uit de omstandigheid dat het ongeval tijdens die uitvoering heeft kunnen plaatsvinden, zonder dat het had vastgesteld dat die omstandigheid zich ook werkelijk dan heeft voorgedaan.

    Het cassatiearrest van 10.10.2011 (A.R. nr.S.10.0054.F), Pas. 2011, 2177, J.T.T. 2012, 5, concl. Adv. Gen. J.M. Genicot, brengt in herinnering dat het ongeval dat is overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst, behoudens tegenbewijs dat door alle rechtsmiddelen kan geleverd worden, geacht wordt te zijn overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst. Het verbreekt dan ook het arrest van het arbeidshof te Brussel van 5.10.2009 dat geweigerd had om de zaak naar de rol te verwijzen opdat de verzekeringsonderneming kennis zou kunnen nemen van de gegevens van het strafdossier dat naar aanleiding van de gewelddaad van 3.07.2008 was opgemaakt, en integendeel een arbeidsongeval had erkend om reden dat de verzekeringsonderneming niet had aangetoond dat de gewelddaad zich niet heeft voorgedaan door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

    Het cassatiearrest van 25.10.2010 (A.R. nr. S.09.0081.F), verwerpt de voorziening in cassatie tegen het arrest van 11.02.2009 van het arbeidshof te Bergen, dat een arbeidsongeval had erkend in hoofde van een winkelbediende die slachtoffer werd van een dodelijke agressie vanwege haar echtgenoot. Het Hof van Cassatie overwoog daarbij dat de motivering van het bestreden arrest “dat de omstandigheden het risico op de agressie op zijn minst hebben verhoogd" volstaat als motivering voor de beslissing van het arrest dat het ongeval door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is overkomen.

    Het cassatiearrest van 26.04.2004 (1° K., A.R. nr. S020127.F), J.T.T. 2004, 467, De Verz. 2005, 268, noot J.P. Nijs, Soc. Kron. 2005, 371, heeft het arrest van 19.06.2002 van het arbeidshof van Bergen verbroken. Voormeld arbeidshof, na te hebben vastgesteld dat eiser zich bereid had verklaard om op de bouwplaats te blijven en er na de werkdag te blijven slapen, had beslist dat het tijdens de nacht gebeurde ongeval zich niet had voorgedaan tijdens de uitvoering van de overeenkomst, op grond dat de werkgever de werknemer niet ertoe verplicht had ter plekke te blijven. Het Hof van Cassatie overwoog evenwel dat uit het enkele feit dat de overnachting op de plaats van het werk niet verplicht was niet kan worden afgeleid dat de werkgever niet de mogelijkheid bezat zijn gezag over de werknemer uit te oefenen vanaf het ogenblik dat laatstgenoemde was ingegaan op de uitnodiging van de werkgever.

     

    2. Overeenkomstig art. 9 van de arbeidsongevallenwet wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt wanneer het slachtoffer of zijn rechthebbenden, benevens het bestaan van het letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen.

    Het cassatiearrest van 10.05.2010 (A.R. nr. S.09.0048.F) brengt in herinnering dat de aangevoerde plotselinge gebeurtenis moet vaststaan, en verbreekt dan ook het arrest, op 8.01.2009 gewezen door het arbeidshof te Luik, afdeling Namen, dat enerzijds, met bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, beslist had dat de plotselinge gebeurtenis bestaat in de achterwaartse val met een torsie van de romp, en anderzijds, op grond van eigen redenen, dat de plotselinge gebeurtenis bestaat in hetzij de val, hetzij de draaibewegingen van de romp vóór de val.

    Het cassatiearrest van 28.04 2008 (A.R. nr. S.07.0079.N), J.T.T. 2008, 299, stelt dat voor de toepassing van de arbeidsongevallenwet de plotselinge gebeurtenis een in de tijd definieerbaar feit van relatief korte duur moet zijn. In casu kon de feitenrechter wettig beslissen dat het gedurende 5 uur monteren van tyzers in een oncomfortabele houding, "een plotse gebeurtenis” uitmaakt.

    Het cassatiearrest van 28.06.2004 (3° K., A.R. nr. S030004.F), J.T.T. 2004, 462, Soc. Kron. 2005, 372, heeft het arrest van 30.05.2002 van het arbeidshof van Luik verbroken, dat het bij artikel 9 van de arbeidsongevallenwet ingestelde vermoeden van oorzakelijk verband tussen de plotselinge gebeurtenis en het letsel had afgewezen, alleen op grond dat het aangevoerde letsel zich had voorgedaan na het letsel dat op het ogenblik van het ongeval was vastgesteld en een gevolg was van de behandeling van laatstgenoemd letsel.

    Het cassatiearrest van 05.04.2004 (3° K., A.R. nr. S020130.F), J.T.T. 2004, 468, noot L. Van Gossum, verbreekt het arrest van 09.09.2002 van het arbeidshof van Brussel, waarbij beslist was dat het bestaan van een plotselinge gebeurtenis niet was aangetoond, hoewel het bestreden arrest had vastgesteld dat eiser, die stukken aluminium aan het bewerken was, zich in een container vooroverboog om er een stuk uit te nemen waardoor zijn bril viel en de glazen gebroken raakten.

    Het cassatiearrest van 24.11.2003J.T.T. 2004, 34, stelt dat de beweging waarmee een in een hotel tewerkgestelde bordenwasser zich uit een voorovergebogen houding opricht bij het dweilen van de keukenvloer met een vloertrekker, een plotselinge gebeurtenis kan zijn in de zin van de arbeidsongevallenwet.

    Het cassatiearrest van 03.02.2003 (A.R. nr. S.02.0088.N) stelt dat het bij art. 9 van de arbeidsongevallenwet gevestigd vermoeden van causaal verband tussen de plotselinge gebeurtenis en het letsel is weerlegd wanneer de rechter de zekerheid heeft of ervan overtuigd is dat het letsel niet het gevolg is van het ongeval.

    Het cassatiearrest van 15.04.2002 (A.R. nr. S.01.0079.F) heeft de voorziening verworpen die was ingesteld tegen het arrest van 13.07.1999 van het arbeidshof te Luik dat had vermeld dat de plotselinge gebeurtenis bestond in de schok die het slachtoffer bij zijn aankomst op het werk te verwerken kreeg bij de aanblik van de materiële toestand die was ontstaan ten gevolge van een poging tot diefstal in de bedrijfslokalen.

     

    3. De uitvoering van de gewone en normale dagtaak kan een plotselinge gebeurtenis uitmaken op voorwaarde dat in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt.

    Om die reden heeft het cassatiearrest van 02.01.2006 (A.R. nr. S.04.0159.F), J.L.M.B. 2006, 683, noot N. Simar, het arrest van 15.06.2004 van het arbeidshof te Luik verbroken dat geweigerd had te erkennen dat de beweging die erin bestond een dweil uit te wringen, op zich het element kon vormen dat het letsel kon hebben veroorzaakt.

    Het cassatiearrest van 13.10.2003, J.T.T. 2004, 40, Soc. Kron. 2004, 211, brengt opnieuw in herinnering dat het bestaan van een plots feit niet vereist dat het bijzonder element in de gewone en normale uitvoering van de dagtaak, waardoor letsel is kunnen ontstaan en dat kan worden vastgesteld, te onderscheiden is van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

    Het cassatiearrest van 23.09.2002 (A.R. nr. S.01.0089.F) verbreekt het arrest van 07.12.2000 van het arbeidshof te Luik, afdeling Namen, dat had vastgesteld dat het slachtoffer op 6 november 1996 bij de uitoefening van haar gewone taak als werkvrouw zware vuilnisbakken, gevuld met telefoonboeken, had opgetild maar daarin geen plots feit zoals een verkeerde beweging, een val of een slag, dat is te onderscheiden van deze normale uitoefening had erkend en om die reden de toekenning van de arbeidsongevallenvergoedingen had geweigerd.

    Om dezelfde reden heeft het cassatiearrest van 06.05.2002Soc. Kron., 2002, 166 de voorziening verworpen die door de verzekeringsonderneming was ingesteld tegen het arrest van 04.10.2001 van het arbeidshof te Luik dat de beweging die getroffene met het bovenlichaam en de armen had gemaakt bij het helpen rechtzetten van een bejaarde als een plotselinge gebeurtenis had aangenomen.

     

    4. De artikelen 7 en 9 van de arbeidsongevallenwet sluiten weliswaar de toepassing van deze wet uit wanneer het in artikel 9 van de wet bedoelde vermoeden is weerlegd en het vaststaat dat het letsel niet te wijten is aan de plotselinge gebeurtenis, maar vereisen niet dat de oorzaak of een van de oorzaken van die gebeurtenis buiten het organisme van de getroffene gelegen is.

    Het cassatiearrest van 30.10.2006 (A.R. nr. S.06.0035.N) bevestigt de principes dat enerzijds voor het bestaan van een arbeidsongeval niet vereist is dat de oorzaak of één van de oorzaken van de plotselinge gebeurtenis buiten het organisme van het slachtoffer ligt, en anderzijds dat de uitvoering van de gewone en normale dagtaak de plotselinge gebeurtenis kan uitmaken, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt en dat het niet vereist is dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de uitvoering van de normale dagtaak. Het verbreekt bijgevolg het arrest van 19.12.2005 van het arbeidshof te Antwerpen, enerzijds omdat de feitenrechter, ondanks de vaststelling dat het slachtoffer zijn voet verzwikt had bij het uitstappen van de container en ten gevolge daarvan ten val was gekomen, geoordeeld had dat dit niet het vereiste aanwijsbaar element was van de plotselinge gebeurtenis omdat hierbij geen externe oorzaak was aangetoond, en anderzijds omdat de feitenrechter had geoordeeld dat een normaal voorkomende beweging, zoals het afstappen uit een container en waarin geen aanwijsbaar element te onderscheiden is van het normale verloop van het uitstappen uit een container, niet als een plotselinge gebeurtenis in aanmerking kan worden genomen.

    Het cassatiearrest van 29.04.2002J.T.T. 2002, 361, De Verz. 2002, 840, Soc. Kron. 3002, 319 verbreekt het arrest van 14.02.1996 van het arbeidshof te Bergen dat het bestaan van een plots feit (verkeersongeval) had vastgesteld, maar niettemin de deskundige met de opdracht had belast om uit te maken of dit plots feit uitsluitend te wijten was aan het organisme van het slachtoffer zelf.

  • Arbeidswegongeval

    1. Overeenkomstig art. 8 § 1 van de arbeidsongevallenwet wordt eveneens als arbeidsongeval aangezien het ongeval dat zich voordoet op de weg naar en van het werk. Onder de weg naar en van het werk wordt verstaan het normale traject dat de werknemer moet afleggen om zich van zijn verblijfplaats te begeven naar de plaats waar hij werkt, en omgekeerd.

    Het cassatiearrest van 18.05.2015 (A.R. nr. S.14.0026.F), Conclusie van advocaat-generaal Genicot, zegt voor recht dat het traject dat de werknemer moet afleggen om zich van zijn verblijfplaats te begeven naar de plaats waar hij werkt, en omgekeerd kan beschouwd worden als een normaal traject wanneer de onderbreking, waarvan de duur niet belangrijk is, met een wettige reden verantwoord is; het traject houdt evenwel op normaal te zijn wanneer de onderbreking belangrijk is en niet aan overmacht toe te schrijven is. Het verwerpt dan ook de voorziening in cassatie tegen het arrest van het arbeidshof te Luik van 22.10.2012 dat had vastgesteld dat een normaal traject één uur en tweeënveertig minuten duurt, en dat de duur van de onderbreking één uur en tweeënvijftig minuten bedraagt, en bijgevolg, en regelmatig en naar recht zijn beslissing had verantwoord dat de onderbreking als belangrijk moet worden beschouwd. 

    Het cassatiearrest van 31.03.2014 (A.R. nr. S 13.0113.F ), Conclusie van advocaat-generaal Genicot, .stelt dat voor de toepassing van artikel 8, § 1, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet, de rechter niet enkel moet beoordelen of het traject zonder onderbreking of omweg werd afgelegd vanaf het ogenblik dat de werknemer zijn arbeidsplaats verlaten heeft, maar ook 1° of de vertraging waarmee de verweerder het traject heeft aangevat onbeduidend, niet belangrijk of belangrijk is en 2° in de twee laatste gevallen gerechtvaardigd is door een wettige reden, of zelfs door overmacht.

    Het verwerpt dan ook de voorziening tegen het arrest van 25.04. 2012 van het arbeidshof te Luik, afdeling Neufchâteau, dat uit de vaststelling dat de getroffene uitgeprint had en de uitoefening van zijn werk om 14u 15 beëindigd had, dat het ongeval zich om 16u 15 heeft voorgedaan terwijl het normale traject dat hij moest afleggen om zijn verblijfplaats te bereiken slechts een twintigtal minuten duurt en dat niet ter discussie stond dat hij het normale traject zonder enige omweg of onderbreking heeft gevolgd, geoordeeld had dat getroffene “een wettige reden had om zijn vertrek uit te stellen", met name om met toestemming van de werkgever aan een collega een dienst te bewijzen door vlees af te snijden voor privédoeleinden en "gedurende ongeveer anderhalf uur na het einde van zijn arbeidsprestaties onder het gezag van de werkgever te blijven", en bijgevolg een ongeval op de normale arbeidsweg had erkend.

    Het cassatiearrest van 10.05.2010 (A.R. nr. S.08.0072.F), bevestigt de bevoegdheid van het Hof van Cassatie om na te gaan of de feitenrechter uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat de werknemer een normaal traject had afgelegd, maar verklaart het onderdeel van het cassatiemiddel, dat erop neerkomt het Hof te verzoeken om zijn eigen beoordeling van de feitelijke omstandigheden in de plaats te stellen van die van de feitenrechter, niet ontvankelijk. Het verwerpt dan ook het cassatieberoep tegen het arrest van 13.06.2001 van het arbeidshof te Bergen dat de beslissing tot erkenning van het arbeidswegongeval had gegrond op de redenen (het feest van Sint-Elooi vieren en aankopen doen voor de eindejaarsfeesten) die de onderbrekingen hebben veroorzaakt en op de omstandigheden (geen drankmisbruik en redelijk gedrag van de getroffene) waarin deze onderbrekingen zijn gebeurd, zonder rekening te houden met de objectieve duur van de verschillende trajectonderbrekingen van de getroffene, en zonder vast te stellen dat die onderbrekingen verantwoord werden door overmacht.

    Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 152/2007 van 12.12.2007B.S. 20.02.2008, voor recht gezegd dat er geen schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel is:

    a) doordat het artikel 8, § 1 van de arbeidsongevallenwet voor het ongeval dat zich voordoet op de weg naar en van het werk eist dat het traject tussen de verblijfplaats en het werk 'normaal' zou zijn, terwijl die eis van de normaliteit niet wordt gesteld voor het wettelijk begrip arbeidsongeval sensu stricto in de artikelen 9 en 7 van de arbeidsongevallenwet;

    b) noch doordat die bepaling niet voorziet in een weerlegbaar vermoeden dat een arbeidswegongeval wordt geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en doordat het slachtoffer of zijn rechthebbenden het bewijs moeten leveren van de reden die een eventueel oponthoud (of een eventuele omweg) verantwoordt, terwijl voor een arbeidsongeval sensu stricto wel zulk een weerlegbaar vermoeden geldt ;

    c) noch doordat die bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat, wat betreft het oponthoud, een onderscheid wordt gemaakt tussen het onbeduidende, het niet-belangrijke en het belangrijke oponthoud, waarbij het slachtoffer of zijn rechthebbenden respectievelijk geen reden, een wettige reden dan wel overmacht moeten bewijzen.

    Het cassatiearrest van 05.03.2007, A.R. nr. S.06.0074.N., J.T.T. 2007, 257, herhaalt dat het arbeidswegtraject normaal blijft in de zin van artikel 8, § 2, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet als de onderbreking onbeduidend is, als ze weinig belangrijk is en door een wettige reden verantwoord wordt, of als ze belangrijk is maar te wijten is aan overmacht en voegt eraan toe dat het onderzoek naar het al dan niet belangrijk karakter van de duur van een onderbreking niet uitsluitend op tijdselementen moet worden gesteund. Het Hof van Cassatie verwerpt dan ook de voorziening in cassatie tegen het arrest, op 18.04.2005 gewezen door het arbeidshof te Antwerpen, waarbij een arbeidswegongeval was erkend in hoofde van de werknemer die op verzoek van zijn werkgever gedurende bijna één uur bij zijn bevriende collega was langsgegaan voor documenten in verband met diens ziekte, hoewel het traject van de werkplaats naar de verblijfplaats van het slachtoffer slechts iets meer dan 10 km bedroeg.

    Het cassatiearrest van 04.04.2005 (3° K., A.R. nr. S040126.F), concl. Adv. Gen. Leclercq, J.T.T. 2005, 328, verwerpt het cassatieberoep dat was ingesteld tegen het arrest, dat op 23.03.2004, na verwijzing door het Hof van Cassatie, was gewezen door het arbeidshof te Bergen en waarbij een arbeidswegongeval was erkend in hoofde van de werknemer die slachtoffer werd van een messteek een paar minuten nadat hij het restaurant waar hij werkte, verlaten had. Het Hof van Cassatie verwierp aldus de argumentatie in de voorziening dat het bestreden arrest niet wettig had kunnen weigeren om, bij het beoordelen van het normale karakter van het traject, rekening te houden met de onwettige reden van de onderbreking, met name het uitlokken van een vechtpartij met een collega en met de verhoging van het risico dat gepaard ging met die vechtpartij, en die de reden voor de onderbreking was.

    Het cassatiearrest van 21.03.2005 (3° K., A.R. nr. S040122.N), Soc. Kron. 2005, 390, zegt voor recht dat de bij de Wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst bedoelde leerjongen geacht wordt onder de toepassing van de arbeidsongevallenwet te vallen, wanneer hij onderweg is naar de plaats waar de in het kader van de leerovereenkomst te volgen vormingslessen worden gegeven en zolang hij zich aldaar bevindt.

    Het cassatiearrest van 13.10.2003J.T.T. 2004, 39, concl. Adv. Gen. J.F. Leclercq, stelt dat het ongeval dat zich voordoet tussen de woning van de meter van het slachtoffer waar laatstgenoemde geregeld naartoe ging, maar zonder de bedoeling aldaar zijn verblijfplaats te vestigen, en de plaats waar hij werkt, geen ongeval is op de weg naar en van het werk.

    Het cassatiearrest van 24.02.2003De Verz. 2003, 336, noot L. Van Gossum, brengt in herinnering dat de feitenrechter eerst moet onderzoeken of een onderbreking van een arbeidswegtraject al dan niet belangrijk is, vooraleer zich uit te spreken over de overmacht of het wettig motief dat deze onderbreking kan verantwoorden.

    Het cassatiearrest van 27.01.2003, J.T.T. 2003, 157, concl. Adv. Gen. J.F. Leclercq, stelt dat het begrip “weg naar en van het werk” niet uitsluit dat het normale traject dat de werknemer moet afleggen om zich van zijn verblijfplaats te begeven naar de plaats waar hij werkt, en omgekeerd, herhaaldelijk wordt afgelegd om de overeengekomen arbeid te verrichten.

    2. Overeenkomstig art. 8 § 2 van de arbeidsongevallenwet worden een aantal trajecten gelijkgesteld met de weg naar en van het werk

    Het cassatiearrest van 13.01.2003J.T.T. 2003, 159, concl. Adv. Gen. J.F. Leclercq, zegt dat de opsomming van deze trajecten evenwel niet kan worden uitgebreid tot de trajecten die de werknemer niet aflegt vanuit de plaats waar hij werkt of die geen rechtstreeks verband hebben met het ontstaan, de uitvoering of de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

  • Dodelijk arbeidsongeval

    1. Ascendenten

    Overeenkomstig art. 20 van de arbeidsongevallenwet ontvangen de bloedverwanten in de opgaande lijn de rente alleen wanneer zij rechtstreeks voordeel uit het loon van de getroffene haalden en worden degenen die onder hetzelfde dak woonden als zodanig aangezien.

    Overeenkomstig het art. 20bis van de arbeidsongevallenwet is voor de bloedverwanten in opgaande lijn de rente verschuldigd tot op het ogenblik waarop de getroffene de leeftijd van 25 jaar zou bereikt hebben, tenzij zij het bewijs leveren dat de getroffene voor hen de belangrijkste kostwinner was.

    Het cassatiearrest van 06.06.2005, (3° K., A.R. nr. S040141.F), J.T.T. 2005, 323, preciseert dat de rechter rekening moet houden met het bedrag van het daadwerkelijk aandeel van het slachtoffer in de inkomsten van zijn ouders om te beoordelen of het slachtoffer de belangrijkste kostwinner was voor de toepassing van artikel 20bis van de arbeidsongevallenwet.

    Het cassatiearrest van 07.02.2005, (3° K., A.R. nr. S040124.N), Soc. Kron. 2005, 400, stelt dat voor de toepassing van art. 20bis van de arbeidsongevallenwet de beoordeling van het begrip "belangrijkste kostwinner" dient te gebeuren door afweging van het aandeel van het slachtoffer in het geglobaliseerde inkomen van de ascendenten op het ogenblik van het ongeval, en dat bij die beoordeling het aandeel van het slachtoffer in het geglobaliseerd inkomen van de ascendenten op het ogenblik van het ongeval de belangrijkste bron van het inkomen van deze ascendenten moet zijn en hun voornaamste geldelijke steun.

    Het cassatiearrest van 08.09.2003J.T.T. 2004, 42, stelt dat het feit dat de werknemer, slachtoffer van een dodelijk arbeidsongeval op sommige werkdagen een verblijfplaats bij zijn verloofde heeft, vanwaar hij zich op die dagen naar de plaats van zijn werk begeeft en omgekeerd, niet uitsluit dat hij op een andere plaats regelmatig en overwegend bij zijn ouders verblijft en aldaar het centrum van zijn belangen heeft, dit wil zeggen onder hetzelfde dak woont in de zin van artikel 20 van de arbeidsongevallenwet.

    2. Overlevende echtgenoot

    Het Grondwettelijk Hof ziet in het arrest nr. 33/2015 van 12.03.2015 geen schending van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het art. 12 in samenhang gelezen met art. 5 AOW, de lijfrente voorbehoudt aan gehuwden en personen die wettelijk samenwonen met een partner en waarbij tussen beide partners een overeenkomst tot verplichte hulp is opgesteld overeenkomstig artikel 1478 B.W. die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben, terwijl het die lijfrente niet toekent en dus weigert aan de wettelijk samenwonenden zonder een overeenkomst met een dergelijke voorziening tot verplichte hulp.

    Het cassatiearrest van 17.11.2003J.T.T. 2004, 36, Soc. Kron. 2004, 210, zegt voor recht dat het recht op rente van de overlevende echtgenoot, bedoeld in artikel 12 van de arbeidsongevallenwet, niet geldt voor feitelijk samenwonende personen.

    3. Kinderen

    Het arrest van het Arbitragehof nr. 10/2002 van 09.01.2002B.S. 19.03.2002, zegde voor recht dat artikel 13 § 5 van de arbeidsongevallenwet, gewijzigd bij de wet van 29.04.1996, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het het voordeel van de rente aan de kinderen van de getroffene, die wees zijn van vader of moeder, niet toekent aan de kinderen waarvan de afstamming is vastgesteld ten gevolge van een vordering tot vaststelling van de afstamming die werd ingeleid na het overlijden als gevolg van het arbeidsongeval. De vereiste dat een procedure tot gerechtelijke vaststelling van de afstamming werd ingeleid vóór de datum van het overlijden werd dienvolgens geschrapt door art. 45 van de Wet van 13.07.2006 houdende diverse bepalingen inzake beroepsziekten en arbeidsongevallen en inzake beroepsherinschakeling, B.S. 01.09.2006.

  • Vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid

    1. Overeenkomstig art. 23 van de arbeidsongevallenwet heeft de getroffene die gedeeltelijk tijdelijk arbeidsongeschikt is en de wedertewerkstelling aanvaardt recht op een vergoeding die gelijk is aan het verschil tussen het loon verdiend vóór het ongeval en het loon dat hij ingevolge zijn wedertewerkstelling ontvangt.

    Het cassatiearrest van 10.09.2007 (A.R. nr. S.06.0050.F), Pas. 2007, I, 1458, J.T.T. 2007, 416, Soc. Kron. 2009, 485, noot M. Jourdan, stelt dat uit de vaststelling dat een slachtoffer met twee deeltijdse betrekkingen het werk niet heeft hervat in het kader van de overeenkomst voor deeltijdse arbeid, tijdens de uitvoering waarvan zich een arbeidsongeval heeft voorgedaan, niet noodzakelijkerwijs volgt dat de tijdelijke arbeidsongeschiktheid volledig is gebleven en bevestigde dan ook het arrest, op 25.04.2005 gewezen door het arbeidshof te Brussel, dat beslist had dat de vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid waarop het slachtoffer voor de periode van wedertewerkstelling aanspraak kan maken, gelijk is aan het verschil tussen het loon dat vóór het ongeval werd verdiend en dat welk sinds de wedertewerkstelling werd ontvangen en, met verwijzing naar artikel 37bis van de arbeidsongevallenwet, dat het loon vóór het ongeval dat is welk krachtens de twee overeenkomsten voor deeltijdse arbeid is verschuldigd.

    2. Overeenkomstig art. 25, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet heeft de getroffene, indien de blijvende arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door het arbeidsongeval zodanig verergert dat hij het beroep, waarin hij gereclasseerd werd, tijdelijk niet meer kan uitoefenen, gedurende deze periode recht op de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid.

    Het Grondwettelijk Hof ziet in het arrest nr. 173/2013 van 19.12.2013 geen schending van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel doordat artikel 25, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet niet van toepassing is op slachtoffers van een arbeidsongeval die genezen werden verklaard, temeer nu voor die slachtoffers, rekening houdend met hun specifieke situatie, in een eigen regeling is voorzien om de genezenverklaring zonder blijvende ongeschiktheid aan te vechten.

    3. Art. 25ter van de arbeidsongevallenwet bepaalt dat, indien de werkgever overeenkomstig de artikelen 52, 70 of 71 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten gewaarborgd loon verschuldigd is aan de getroffene voor een arbeidsongeval overkomen in dienst van een andere werkgever, hij in de rechten wordt gesteld van de getroffene volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten. In dit geval bepaalt de Koning aan wie de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid die betrekking hebben op de periode die door het gewaarborgd loon wordt gedekt, worden uitbetaald.

    Het cassatiearrest van 30.01.2012 (A.R. nr. S.10.0032.N), zegt voor recht dat, buiten het geval bedoeld in artikel 25ter van de arbeidsongevallenwet en de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 19.05.2000, de werkgever van een werknemer die getroffen is door een arbeidsongeval, ten aanzien van de arbeidsongevallenverzekeraar geen enkele aanspraak heeft op welke vergoeding ook, noch op grond van de arbeidsongevallenwet, noch op grond van de arbeidsongevallenwet overheidspersoneel.

  • Vergoedingen voor blijvende arbeidsongeschiktheid en hulp van derden

    1. Indien de arbeidsongeschiktheid blijvend is of wordt, vervangt een jaarlijkse vergoeding van 100 % berekend op het basisloon en de graad van de ongeschiktheid, de dagelijkse vergoeding vanaf de dag waarop de ongeschiktheid een bestendig karakter vertoont (art. 24, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet).

    Het cassatiearrest van 09.03.2015 (A.R. nr. S.14.0009.N), Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden, stelt dat de blijvende arbeidsongeschiktheid van de werknemer die slachtoffer is van opeenvolgende ongevallen in haar geheel moet worden beoordeeld, wanneer de arbeidsongeschiktheid die na het laatste ongeval is vastgesteld, daar - zelfs maar gedeeltelijk - het gevolg van is. Diens economische waarde op de arbeidsmarkt wordt immers wettelijk vermoed te zijn weergegeven in het basisloon.

    Het cassatiearrest van 15.12.2014 (A.R. nr. S.12.0097.F ) brengt in herinnering dat de omvang van de blijvende ongeschiktheid in de zin van artikel 24, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet, niet alleen wordt beoordeeld op grond van de lichamelijke geschiktheid maar ook op grond van de leeftijd, de beroepskwalificatie, het aanpassingsvermogen, de mogelijkheid tot omscholing en het concurrentievermogen van het slachtoffer op de algemene arbeidsmarkt, op zijn beurt bepaald door de mogelijkheden waarover het slachtoffer nog beschikt om, in vergelijking met andere werknemers, een beroep in loondienst uit te oefenen; en preciseert dat het beschermde arbeidscircuit die mogelijkheden niet biedt aan de werknemer die er op het tijdstip van het ongeval niet tewerkgesteld was.

    Het cassatiearrest van 30.10.2006 (A.R. nr. S.06.0039.N) bevestigt andermaal het principe dat de arbeidsongevallenverzekeraar dient in te staan voor de vergoeding van de volledige arbeidsongeschiktheid wanneer de blijvende arbeidsongeschiktheid mede veroorzaakt is door een arbeidsongeval en verbreekt bijgevolg het arrest, dat op 23.12.2005 was gewezen door het arbeidshof te Antwerpen, en waarbij de feitenrechter op grond van de vaststelling dat de pijnen van het slachtoffer hun voornaamste oorzaak vinden in zijn persoonlijkheidsstructuur en in een zekere voorbestemdheid om te reageren op het ongevalgebeuren van 6 december 1991, de blijvende arbeidsongeschiktheid had bepaald zonder met de pijnproblematiek rekening te houden.

    Het cassatiearrest van 05.04.2004 (3° Kamer, A.R. nr. S030117.F), De Verz. 2004, 690, noot L. Van Gossum, J.T.T. 2004, 457, Soc. Kron. 2005, 397, bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van het slachtoffer van een arbeidsongeval in haar geheel moet worden beoordeeld, zonder rekening te houden met zijn vroegere ziekelijke toestand, wanneer het ongeval ten minste voor een deel de oorzaak van die ongeschiktheid is, en stelt bovendien dat het recht op de vergoeding die verschuldigd is voor een door een arbeidsongeval veroorzaakte blijvende arbeidsongeschiktheid niet afhankelijk is van het recht op de geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingsverzorging die door het ongeval noodzakelijk is geworden, zodat de feitenrechter de vergoeding voor blijvende arbeidsongeschiktheid vermocht toe te kennen, ook al was er nog geen uitspraak over de medische kosten.

    Het arrest van het Arbitragehof nr. 104/2002 van 26.06.2002B.S. 28.08.2002, J.T.T. 2002, 357, zegt voor recht dat de artikelen 24, 34, 36 en 39 van de arbeidsongevallenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden, wanneer ze in die zin worden geïnterpreteerd dat, in het kader van de vergoeding die zij voorschrijven, de blijvende ongeschiktheid die het gevolg is van een arbeidsongeval dat een door één of meer vorige arbeidsongevallen veroorzaakt functioneel letsel verergert, in haar geheel moet worden beoordeeld, zonder rekening te houden met de vooraf bestaande arbeidsongeschiktheid.

    Het cassatiearrest van 15.04.2002J.T.T. 2002,362, stelt dat een nieuw arbeidsongeval dat is overkomen tijdens de herzieningstermijn van een vroeger arbeidsongeval de verzekeraar van het eerste arbeidsongeval niet ontlast van zijn verplichting om rekening te houden met een wijziging in het verlies van de arbeidsgeschiktheid van het slachtoffer, wanneer die wijziging, ingetreden tijdens diezelfde termijn, te wijten is aan de gevolgen van het eerste ongeval.

    2. Indien de toestand van het slachtoffer volstrekt de geregelde hulp van een ander persoon vergt, kan hij aanspraak maken op een bijkomende vergoeding, vastgesteld in functie van de noodzakelijkheid van deze hulp, op basis van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimumloon zoals vastgesteld voor een voltijds werknemer, door collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad (art. 24, vierde lid, van de arbeidsongevallenwet). Voor de wijziging van dit vierde lid door art. 49 van de Wet van 13.07.2006 houdende diverse bepalingen inzake beroepsziekten en arbeidsongevallen en inzake beroepsherinschakeling, B.S. 1.09.2006, werd daarbij niet gepreciseerd op welk ogenblik het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimumloon in aanmerking moest worden genomen, noch werd daarbij gepreciseerd welke de anciënniteit was van de voltijdse werknemer van wie dit loon moest in aanmerking worden genomen, zodat omtrent deze punten enige discussie ontstaan was in de rechtspraak.

    Het cassatiearrest van 23.11.2015 (A.R. nr. S.13.0016.N), Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden, stelt dat uit artikel 24, vierde en vijfde lid, AOW volgt dat bij de vaststelling van de bijkomende vergoeding geen vast bedrag wordt bepaald, maar wel de vaste verhouding van deze vergoeding ten aanzien van het vanaf de consolidatiedatum geïndexeerd gemiddeld maandelijks minimumloon. Deze wetsbepalingen stellen geen criterium vast voor de berekening van die bijkomende vergoeding, maar laten het aan de rechter over het bedrag vast te stellen binnen de erin bepaalde grenzen. Uit die bepalingen volgt niet dat de maximale bijkomende vergoeding voorbehouden is aan de getroffene die nood heeft aan de grootst mogelijke hulp en dat niets verhindert dat bij het vaststellen van de bijkomende vergoeding rekening wordt gehouden met de werkelijke kosten of de tijdsduur van de benodigde hulp. Het cassatiearrest besluit dan ook tot de verwerping van de voorziening die door de arbeidsongevallenverzekeraar was ingesteld tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 13.09.2012, dat had geoordeeld dat de vergoeding van de voorlopige bewindvoering voor de periode 1.10.2005 tot en met 17.03.2011, die als hulp van derden kan worden gekwalificeerd in de zin van artikel 24, vierde lid, AOW, dient vergoed te worden op basis van de reële kosten.

    Het Grondwettelijk Hof ziet in het arrest nr. 121/2014 van 19.09.2014 geen schending van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel doordat artikel 24, vierde lid, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, in de interpretatie dat de vergoeding voor de geregelde hulp van een andere persoon enkel betrekking heeft op de blijvende arbeidsongeschiktheid, voor de hulp van een andere persoon tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid niet in een recht op vergoeding voorziet.

    Het cassatiearrest van 04.02.2002J.T.T. 2002, 213, R.W. 2002-2003, 260, noot W. Rauws, bevestigt het eerder bij arrest van 21.05.2001 ingenomen standpunt dat voor de vaststelling van de bijkomende vergoeding wegens hulp van een ander persoon moet rekening worden gehouden met de aanpassingen van het interprofessioneel minimumloon tot op de datum van definitieve regeling van deze bijkomende vergoeding, en voegt eraan toe dat het gewoon bedrag van artikel 3 eerste lid van de cao nr. 43 van 02.05.1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen moet in aanmerking worden genomen en niet de bij het tweede of derde lid van voormeld artikel 3 bedoelde verhoogde bedragen voor de werknemers die respectievelijk 21,5 en 22 jaar oud zijn en een dienstanciënniteit respectievelijk van minstens 6 maanden en van minstens 12 maanden hebben.

  • Terugbetaling van kosten

    1. Overeenkomstig art. 28 van de arbeidsongevallenwet heeft de getroffene recht op de geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen en, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, op de prothesen en orthopedische toestellen die ingevolge het ongeval nodig zijn.

    Het cassatiearrest van 22.06.2009 (A.R. nr. S.08.0139.N), Concl. Adv. Gen. Mortier, R.W. 2009-2010, 1432, stelt dat voor de toepassing van artikel 28 van de arbeidsongevallenwet prothesen en orthopedische toestellen de betekenis hebben van kunst- en hulpmiddelen die een valide persoon niet behoeft en die als gevolg van het arbeidsongevall nodig zijn om aangetaste of verzwakte lichaamsdelen te steunen of te vervangen, dan wel het gebruik of de functies ervan te bevorderen. De bouw van een aangepaste badkamer kan in bepaalde omstandigheden een hulpmiddel zijn dat nodig is om het gebruik of de functies van de aangetaste of verzwakte lichaamsdelen van het slachtoffer van een arbeidsongeval te bevorderen, zodat het cassatiemiddel dat er van uitgaat dat de aanpassing van de inrichting van een badkamer aan de invaliditeit van het slachtoffer in geen geval kan beschouwd worden als prothese, faalt naar recht.

    Het cassatiearrest van 08.12.2008 (A.R. nr. S.07.0094.F) verbreekt het arrest van 13.11.2006 van het arbeidshof van Brussel, waarbij werd beslist om de kosten van een arthroscopie en de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid ten laste te leggen van de verzekeringsonderneming, hoewel niet bewezen was dat het slachtoffer bij het ongeval van 28.11.2000 een letsel had opgelopen. 

    2. Overeenkomstig art. 28bis, tweede en derde lid, van de arbeidsongevallenwet vallen de kosten voor prothesen en orthopedische toestellen voor de ongevallen overkomen vóór 1.01.1988 slechts ten laste van de verzekeringsonderneming tot de datum van de homologatie of van de bekrachtiging van de overeenkomst of van de beslissing tot genezenverklaring. Een bijkomende vergoeding, die overeenstemt met de waarschijnlijke kosten voor vernieuwing en herstelling van de toestellen, wordt vastgesteld bij de overeenkomst of de beslissing en berekend op de door de Koning bepaalde wijze.

    Het cassatiearrest van 07.01.2002J.T.T. 2003, 23, verbreekt het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 05.12.2000, waarbij de verzekeringsonderneming werd veroordeeld tot de storting van de bij art. 28bis, derde en vierde lid, van de arbeidsongevallenwet bepaalde bijkomende vergoeding, die overeenstemt met de waarschijnlijke kosten van onderhoud en vernieuwing van de prothesen en orthopedische toestellen die nodig zijn ingevolge een arbeidsongeval overkomen voor 01.01.1988, zonder dat dit arrest het bedrag van deze bijkomende vergoeding had vastgesteld en evenmin had vastgesteld dat het bedrag van deze bijkomende vergoeding reeds was bepaald in een overeenkomst of in een rechterlijke beslissing.

  • Basisloon

    1. Art. 34, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet definieert het basisloon als “het loon waarop de werknemer, in de functie waarin hij is tewerkgesteld in de onderneming op het ogenblik van het ongeval, recht heeft voor de periode van het jaar dat het ongeval voorafgaat.” Dit loon wordt als referteloon gehanteerd voor de schadeloosstelling van de tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid alsmede voor de berekening van de begrafenisvergoeding en van de renten voor de rechthebbenden bij dodelijk arbeidsongeval. 

    Het Grondwettelijk Hof ziet in het arrest nr. 27/2015 van 05.03.2015 geen schending van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel doordat art. 34, eerste en tweede lid, AOW voor de slachtoffers die, naast de voltijdse arbeidsovereenkomst tijdens de uitvoering waarvan het ongeval zich heeft voorgedaan, aantonen dat zij op de datum van dat ongeval eveneens deeltijds waren tewerkgesteld, het basisloon vaststelt uitsluitend op basis van het loon dat is geïnd in het kader van de voltijdse tewerkstelling in de loop van het jaar dat voorafging aan het ongeval. 

    Het cassatiearrest van 24.05.2004, (3° K., A.R. nr. S.04.0004.F), De Verz. 2004, 700, noot L. Van Gossum, J.T.T. 2004, 465, concl. Adv.gen. F. Leclercq, Soc. Kron. 2005, 398, zegt voor recht dat de premie van een ten voordele van een werknemer gesloten hospitalisatieverzekering als loon in de zin van artikel 35, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet moet worden beschouwd.

    2. Wanneer het slachtoffer krachtens een sociaal zekerheids- of sociaal voorzorgsstelsel uitkeringen geniet die slechts toegekend worden op voorwaarde dat de wettelijke vastgestelde perken van toegelaten arbeid voor gepensioneerden niet worden overschreden, wordt het basisloon vastgesteld uitsluitend met inachtneming van het loon dat verschuldigd is ingevolge het verrichten van de toegelaten arbeid. (art. 37, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet).

    Het cassatiearrest van 29.04.2013 (A.R. nr. S.11.0094.N) stelt dat artikel 37, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet ertoe strekt het basisloon van personen die een rust- of overlevingspensioen of een gelijksoortige uitkering genieten te beperken tot de in de pensioenreglementering bepaalde inkomensgrenzen voor toegelaten arbeid, maar dat dit niet belet dat binnen die grenzen het basisloon voor een volledig jaar moet worden vastgesteld. Op grond van de vaststelling dat het arbeidsongeval zich voordeed op de tweede arbeidsdag, oordeelde het bestreden arrest naar recht dat de referteperiode onvolledig is en het basisloon overeenkomstig artikel 36, § 2, van de arbeidsongevallenwet moet worden aangevuld met een voor de periode die voorafgaat berekend hypothetisch loon, desgevallend te beperken tot het grensbedrag voor de toegelaten arbeid voor gepensioneerden.

    3. Wanneer het slachtoffer is tewerkgesteld krachtens een arbeidsovereenkomst als deeltijdse werknemer, wordt het basisloon voor de berekening van de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid vastgesteld uitsluitend met inachtneming van het loon dat verschuldigd is krachtens voormelde arbeidsovereenkomst. (art. 37bis, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet)

    Het cassatiearrest van 10.03.2014 (A.R. nr. S. 12.0094.N ), Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden, zegt voor recht dat, voor de toepassing van de arbeidsongevallenwet een werknemer als voltijdse werknemer moet worden beschouwd indien hij op de dag van het ongeval verbonden is door een dagcontract, waarbij de contractuele arbeidsduur is bepaald op acht uren. Het middel dat van de rechtsopvatting uitgaat dat de "normale contractuele arbeidsduur" op weekbasis moet worden beoordeeld gelet op de in artikel 6 van het Koninklijk Besluit van 10 juni 2001 gegeven definitie van wat onder "contractueel gemiddelde wekelijkse arbeidsduur" van de werknemer moet worden verstaan, faalt naar recht.

    Het cassatiearrest van 11.03.2013 (A.R. nr. S.11.0153.N), conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden, T.Verz. 2013, 272, zegt voor recht dat, voor een werknemer die zijn enige deeltijdse tewerkstelling krachtens een arbeidsovereenkomst cumuleert met een voltijdse statutaire tewerkstelling, artikel 37bis, § 1, AOW van toepassing is ter berekening van de op grond van deze wet verschuldigde vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid.

    4. Voor de berekening van de vergoedingen wegens blijvende arbeidsongeschiktheid of wegens dodelijk arbeidsongeval van minderjarigen en leerjongens heeft de arbeidsongevallenwet een afwijkende regeling: overeenkomstig artikel 38, tweede lid, van deze wet wordt dit basisloon vastgesteld in functie van het gemiddeld loon van de meerderjarige werknemers in de beroepscategorie waartoe de getroffene bij zijn meerderjarigheid of bij het beëindigen van de leerovereenkomst zou behoord hebben.

    De vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid daarentegen, die beogen het loonverlies te compenseren dat het slachtoffer lijdt doordat hij zijn eigen beroep niet kan uitoefenen, blijven in principe berekend op een basisloon dat uitsluitend rekening houdt met de eigen verdiensten tijdens de referteperiode. Op dit principe werd evenwel een inbreuk gemaakt, zij het uitsluitend voor de minderjarige werknemers, door artikel 40 van de Programmawet van 22.12.1989, B.S. 30.12.1989, dat het artikel 38, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet aanvulde met een tweede zin luidens hetwelk het basisloon, voor de berekening van de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid, wordt vastgesteld in functie van het loon van de meerderjarige werknemer in de categorie waartoe de getroffene bij zijn meerderjarigheid zou hebben gehoord, wanneer de minderjarige gedurende de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid meerderjarig wordt.

    Het cassatiearrest van 06.06.2005, (3° K., A.R. nr. S.04.0012.F), J.T.T. 2005, 326, stelt dat het basisloon, voor de berekening van de dagvergoeding, vanaf het begin van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid berekend moet worden op grond van het gemiddelde loon van de meerderjarige werknemers van de categorie waartoe het slachtoffer zou hebben behoord bij het beëindigen van zijn leerovereenkomst, wanneer het slachtoffer een leerling is die op het ogenblik van het ongeval reeds meerderjarig was en het ongeval een tijdelijke arbeidsongeschiktheid tot gevolg had die is ingegaan na de inwerkingtreding van de wet van 22.12.1989 en geëindigd is voor de inwerkingtreding van de wet van 12.08.2000.

    Het arrest nr. 6/00 van het Arbitragehof van 19.01.2000B.S. 2.03.2000, tweede editie; zegde voor recht dat “artikel 38, eerste lid, tweede zin, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat het niet van toepassing is op de tijdelijke arbeidsongeschiktheid van de leerling die op het ogenblik van het ongeval meerderjarig is.” Bijgevolg werd een tekstaanpassing van artikel 38, eerste lid, tweede zin, van de arbeidsongevallenwet doorgevoerd door art. 46 van de Wet 12.08.2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, B.S. 31.08.2000, erratum, B.S. 25.01.2001. Overeenkomstig de nieuwe tekst wordt het basisloon van de leerling, voor de berekening van de vergoedingen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid, vastgesteld in functie van het gemiddeld loon van de meerderjarige werknemer in de beroepscategorie waartoe de getroffene bij het beëindigen van de leerovereenkomst zou behoord hebben, wanneer de leerovereenkomst een einde neemt tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid.

    5. Overschrijdt het jaarloon het plafond dat bij wet is vastgesteld, dan komt het, voor de vaststelling van de vergoedingen en renten, slechts ten belope van dat bedrag in aanmerking (art. 39 van de arbeidsongevallenwet).

    Het cassatiearrest van 16.12.2002 (A.R. nr. S.02.0065.N) verbreekt het arrest van 19.03.2002 van het arbeidshof te Antwerpen, dat in strijd met artikel 6 § 3 van de arbeidsongevallenwet had nagelaten ambtshalve het basisloon waarop de arbeidsongevallenvergoedingen werden berekend overeenkomstig artikel 39 van de wet te begrenzen tot het in casu geldende bedrag van het maximumbasisloonplafond.

  • Betaling

    1. Interesten

    Het cassatiearrest van 19.02.2007, (A.R. nr. S.06.0003.N.) J.T.T. 2007, 261, bevestigt het principe dat de wetgever met de term « uitkeringen » in artikel 42, derde lid, van de arbeidsongevallenwet alle bedragen bedoelde die krachtens de arbeidsongevallenwet verschuldigd zijn, ongeacht de schuldenaar ervan, en zegt dan ook voor recht dat de bedoelde interest dus ook van rechtswege verschuldigd is op de door de ziekteverzekeraar betaalde vergoedingen van medische, farmaceutische, heelkundige en verplegingskosten vanaf de betaling ervan, wanneer deze verzekeringsinstelling van de wetsverzekeraar of van het Fonds voor arbeidsngevallen de terugbetaling vordert van deze vergoedingen.

    Daaropvolgend heeft art. 62 van de Wet van 08.06.2008 houdende diverse bepalingen (I), B.S. 16.06.2008, tweede uitgave, dat in werking treedt op de publicatiedatum van 16.06.2008, de verplichting om van rechtswege interest te betalen vanaf het ogenblik waarop de vergoedingen eisbaar worden beperkt tot de in art. 42 van de arbeidsongevallenwet bedoelde uitkeringen, met name: de tijdelijke vergoedingen evenals de jaarlijkse vergoedingen, de vervallen renten, en de bijslagen.

    2. Overeenkomstig art. 42bis van de arbeidsongevallenwet kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen in welke mate en onder welke voorwaarden de cumulatie toegestaan is van de ter uitvoering van deze wet toegekende prestaties en die welke krachtens andere sociale zekerheids- of voorzorgsregelingen toegekend worden. In uitvoering van deze bepaling werd een cumulbeperking van de vergoedingen voor blijvende arbeidsongeschiktheid of wegens overlijden ingevolge arbeidsongeval met rust- of overlevingspensioenen uitgevaardigd.

    Het arrest van 14.02.2012 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zegt voor recht dat de artikelen 311 tot 349 van de Wet van 20.06.2006 houdende diverse bepalingen, die de bepalingen hernemen van het wetgevend en reglementair kader van de cumulatiebeperking tussen de schadeloosstelling overeenkomstig de arbeidsongevallenwet en de pensioenen zoals dit tot stand gekomen is met ingang van 1 januari 1983, ondanks hun retroactieve inwerkingtreding, niet hebben geraakt aan een recht dat voorafgaandelijk was erkend door de wetgeving en bijgevolg geen schending uitmaken noch van art. 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens dat elkeen het recht verleent op een eerlijk proces, noch van art. 1 van het Aanvullend Protocol dat het recht op de bescherming van het eigendomsrecht garandeert.

    Het arrest nr. 64/2008 van 17.04.2008 van het Grondwettelijk HofB.S. 09.05.2008, verwerpt de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van hoofdstuk XII (bepalingen betreffende de samenloop van vergoedingen bij arbeidsongevallen met een pensioen) van titel XIII van de wet van 20.07.2006 houdende diverse bepalingen.

    3. Overeenkomstig art. 45quater van de arbeidsongevallenwet wordt voor bepaalde categorieën van ongevallen die geregeld worden met een kleinere arbeidsongeschiktheidsgraad de waarde van de jaarlijkse vergoeding en van de rente als kapitaal gestort bij het Fonds voor arbeidsongevallen, dat alsdan de betaling overneemt. In die gevallen bestaat niet de mogelijkheid voor het slachtoffer om ten hoogste een derde van de waarde van de hem toekomende rente als kapitaal te laten uitbetalen.

    Het arrest nr. 162/2003 van het Arbitragehof van 10.12.2003B.S. 20.02.2004, tweede editie, zegt voor recht dat het artikel 45quater van de arbeidsongevallenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt.

    Het cassatiearrest van 23.06.2003 (A.R. nr. S.02.0128.N) bevestigt de stelling van het cassatiearrest van 09.09.2002 (A.R. nr. S.01.0146.F) waarbij voor recht gezegd wordt dat de verzekeringsonderneming geen aanspraak kan maken op terugvordering vanwege het Fonds voor arbeidsongevallen van het door haar in toepassing van artikel 45quater van de arbeidsongevallenwet gestorte kapitaal, wanneer het slachtoffer voor het verstrijken van de herzieningstermijn is overleden wegens een andere oorzaak dan het arbeidsongeval.

  • Burgerlijke aansprakelijkheid

    1. Art. 46 § 1 van de arbeidsongevallenwet stelt het principe van de civielrechtelijke immuniteit: buiten de in dit artikel opgesomde gevallen is voor het slachtoffer of zijn rechthebbende geen vordering tot schadeloosstelling mogelijk op grond van het burgerlijk aansprakelijkheidsrecht.

    Het arrest nr. 149/2016 van het Grondwettelijk Hof van 24.11.2016 vernietigt artikel 46, § 1, eerste lid, 7°, d), van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij de wet van 16 mei 2016 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.

    Het arrest nr. 51/2016 van het Grondwettelijk Hof van 24.03.2016 zegt voor recht dat de artikelen 1, 2 en 46 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden, in zoverre de werkgever zich niet kan beroepen op de uit artikel 46 voortvloeiende burgerrechtelijke immuniteit wanneer het slachtoffer van een arbeidsongeval een persoon is die een individuele beroepsopleiding bij hem volgt, zoals bedoeld in de artikelen 90 en volgende van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding.

    Het cassatiearrest van 07.10.2015 (A.R. nr. P.15.0245.F) stelt dat het artikel 46, § 1, 7° AOW alleen van toepassing is op de werkgever. Het verbreekt dan ook het arrest van 15.01.2015 van het hof van beroep te Luik dat de burgerlijke aansprakelijkheidsvordering o.g.v. artikel 46, § 1, 7° AOW had aangenomen tegen de zaakvoerders van de onderneming.

    Het cassatiearrest van 19.06.2015 (A.R. nr. C.14.0169.N), Conclusie van advocaat-generaal Vandewal, stelt dat degene die aansprakelijk is voor een arbeidsongeval en de arbeidsongevallenverzekeraar heeft vergoed voor diens uitgaven aan de getroffene en zijn rechthebbenden, slechts over een rechtsvordering inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid beschikt tegen de medeaansprakelijke werkgever van de getroffene in de gevallen bepaald in artikel 46, § 1, AOW. Het vernietigt dan ook het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent van 8.03.2013 in zoverre dit de vorderingen tot vrijwaring van de werkgever tot beloop van 20 pct. gegrond had verklaard om reden dat de burgerrechtelijke immuniteit bepaald in artikel 46, § 1, AOW enkel tegenwerpelijk is aan de getroffene en zijn rechthebbenden en niet aan andere personen die geen recht hebben op vergoedingen krachtens de Arbeidsongevallenwet.

    Het arrest nr. 62/2015 van het Grondwettelijk Hof van 21.05.2015 zegt voor recht dat artikel 46, § 1, 7°, d), AOW de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt omdat het niet redelijkerwijze verantwoord is dat slachtoffers van een arbeidsongeval, tegen hun werkgever die zwaarwichtig is tekortgekomen en die daarvoor in gebreke is gesteld, geen gemeenrechtelijke vordering tot schadevergoeding kunnen instellen om de enkele reden dat de ingebrekestelling de formele vermelding moet bevatten van het feit dat bij gebrek aan passend gevolg bij een ingebrekestelling, de burgerlijke aansprakelijkheid van de werkgever volledig zou herleven.

    Het cassatiearrest van 10.03.2015 (A.R. nr. P.14.0357.N), T. Verz. 2015, 296, stelt dat de in art. 46, § 1, AOW bedoelde immuniteit van de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde slechts geldt ten aanzien van de getroffene van het arbeidsongeval of zijn rechthebbenden die de vergoedingen kunnen genieten waarin de AOW voorziet. Het verbreekt dan ook het arrest van het hof van beroep te Gent van 16.01.2014, dat geoordeeld had dat de ouders van een dodelijk slachtoffer aan wie de arbeidsongevallenverzekeraar een bedrag van 2.242,04 euro had uitbetaald tot vergoeding van de begrafeniskosten, geen rechthebbenden zijn en de werkgever veroordeeld had tot terugbetaling van de vergoeding van de begrafeniskosten en van de schadeloosstelling van de rechthebbende kinderen, omdat de immuniteit aan de in hun rechten gesubrogeerde verzekeraar niet kon tegengeworpen worden.

    Het cassatiearrest van 14.02.2013 (A.R. nr. C.11.0793.F) stelt dat uit de bepaling van artikel 46, § 1, 6° van de arbeidsongevallenwet volgt dat, wanneer een arbeidsongeval een verkeersongeval is, de werkgever niet meer over de immuniteit beschikt die het slachtoffer en zijn rechthebbenden belet een rechtsvordering tegen hem in te stellen overeenkomstig de regels van de burgerlijke aansprakelijkheid, zodat bij samenloop van fouten van een derde en van de werkgever en veroordeling in solidum van laatstgenoemden tot vergoeding van de schadelijder, de derde die het slachtoffer heeft vergoed, bijgevolg tegen de werkgever een vordering tot vrijwaring kan instellen voor het gedeelte waarvoor laatstgenoemde aansprakelijk is gesteld.

     

    Het cassatiearrest van 02.05.2011 (A.R. nr. C.10.0427.N) stelt dat, vóór de toevoeging van een 6° aan artikel 46, § 1 van de arbeidsongevallenwet, dit artikel geen toepassing vond en er bijgevolg geen burgerlijke aansprakelijkheidsvordering tegen de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden mogelijk was ingeval het ongeval een arbeidsongeval betrof zoals bedoeld in artikel 7 van de arbeidsongevallenwet, ook wanneer dit ongeval een verkeersongeval op de openbare weg is.

    Het Grondwettelijk Hof zegt bij arrest nr. 7/2008 van 17.01.2008, B.S. 28.02.2008, De Verz. 2008, 276, noot L. Van Gossum, voor recht dat het artikel 46 van de arbeidsongevallenwet, in combinatie met de regels inzake het regres van de in solidum veroordeelde schuldenaren, geen ongrondwettelijke ongelijkheid instelt, ook niet wanneer de combinatie van deze regels ertoe leidt dat in een geval waar een arbeidsongeval wordt veroorzaakt door de samenlopende fouten van de werkgever en van derden, deze derden niet beschikken over een regres tegen de werkgever.

    Het cassatiearrest van 17.01.2007 (A.R. nr. P.06.1276.F.) stelt dat uit de omstandigheid dat een werknemer, die tijdelijk door zijn werkgever ter beschikking van een gebruiker is gesteld, arbeid verricht onder het gezag van een andere aannemer (hoofdaannemer) en dat deze toeziet op de nakoming van de beveiligingsverplichting op de werkplaats, niet volgt dat die andere aannemer een rechtshandeling stelt in naam en voor rekening van de gebruiker of de werkgever of dat hij een functie uitoefent in het bedrijf van één van beide en dat hij, in de zin van art. 46, § 1, 4°, van de arbeidsongevallenwet, een lasthebber is van de gebruiker aan wie de werknemer tijdelijk ter beschikking is gesteld. Het Hof van Cassatie verbreekt dan ook het arrest dat op 14.06.2006 was gewezen door de correctionele kamer van het Hof van Beroep te Bergen, in zoverre het de burgerlijke rechtsvordering op grond van de burgerrechtelijke immuniteit van de hoofdaannemer ongegrond had verklaard.

    Het arrest nr. 102/2004 van het Arbitragehof van 09.06.2004, B.S. 05.10.2004, J.T.T. 2004, 454, bevestigt de vroegere uitspraak in het arrest nr. 3/97 van 16.01.1997, en voegt eraan toe dat artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, in zoverre het de werknemer enkel bij bedrog, zware schuld en gewoonlijk voorkomende lichte schuld aansprakelijk stelt in het raam van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ten aanzien van derden, terwijl artikel 46, § 1, 6° van de arbeidsongevallenwet de vordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid tegen de werkgever, zijn lasthebber of zijn aangestelde mogelijk maakt wanneer het ongeval een verkeersongeval betreft.

    De arresten van het Arbitragehof nrs. 47/2002 van 13.03.2002, B.S. 28.05.2002, en 115/2002 van 26.06.2002, B.S. 13.09.2002, bevestigen de vroegere rechtspraak van het hof door voor recht te zeggen dat artikel 46 § 1 van de arbeidsongevallenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, in zoverre het het slachtoffer van een arbeidsongeval of zijn rechthebbenden verhindert om op grond van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek een rechtsvordering tot integrale schadeloosstelling in te stellen tegen de werkgever, zijn lasthebber of zijn aangestelde die het ongeval onopzettelijk hebben veroorzaakt, en voegen er aan toe dat deze stelling ook geldt respectievelijk wanneer de vermoedelijke aansprakelijke reeds voor een strafgerecht wordt vervolgd en wanneer de werknemer het slachtoffer is van een arbeidsongeval op de arbeidsplaats dat onopzettelijk, maar door bedrog, zware fout of gewoonlijk lichte fout is veroorzaakt door de aangestelden van zijn werkgever.

    Het cassatiearrest van 21.05.2002, Soc. Kron. 2002, 519, stelt dat de civielrechtelijke immuniteit van de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde bij onopzettelijk veroorzaakte arbeidsongevallen niet kan ingeroepen worden tegen de moeder van het slachtoffer van een niet-dodelijk arbeidsongeval, vermits zij geen rechthebbende is in de zin van artikel 46 § 1 van de arbeidsongevallenwet.

    2. Overeenkomstig art. 46 § 2, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet  mag de volgens het gemeen recht toegekende vergoeding, die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen. Bijgevolg dient telkenmale onderzocht te worden in hoeverre de op grond van het burgerlijk recht toe te kennen bijkomende schadeloosstelling niet reeds is gedekt door de forfaitaire vergoeding, zoals die op grond van de arbeidsongevallenwet prioritair wordt toegekend. Is dit het geval, dan valt deze schade binnen de subrogatievordering waarover de arbeidsongevallenverzekeraar overeenkomstig art. 47 van de arbeidsongevallenwet beschikt.

    Het cassatiearrest van 18.03.2016 (A.R. nr. C.15.0083.F) zegt voor recht dat de arbeidsongevallenverzekeraar slechts in de rechten van de getroffene wordt gesubrogeerd tot beloop van de cumuleerbare bedragen die aan laatstgenoemde zijn gestort, met uitsluiting van de niet-cumuleerbare bedragen die op grond van artikel 42bis van de wet van 10 april 1971 aan het Fonds voor arbeidsongevallen zijn gestort.

    Het cassatiearrest van 28.04.2015 (A.R. nr. P.13.1010.N) brengt in herinnering dat krachtens artikel 47, eerste lid, AOW de arbeidsongevallenverzekeraar tegen de aansprakelijke derde, binnen de perken van de door hem naar gemeen recht en voor diezelfde schade verschuldigde vergoeding, een rechtsvordering tot terugbetaling kan instellen tot beloop van de gevestigde kapitalen; deze rechtsvordering heeft betrekking op de gehele kapitalen en niet enkel op het gedeelte ervan dat overeenkomt met de waarschijnlijke winstgevende overlevingsduur van de getroffene.

    Het cassatiearrest van 26.05.2014 (A.R. nr. Nr. C.11.0186.F) zegt voor recht dat artikel 41, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, volgens hetwelk de verzekeraar die de schadevergoeding betaald heeft, ten belope van het bedrag van die vergoeding in de rechten en rechtsvorderingen treedt van de verzekerde of de begunstigde tegen de aansprakelijke derden, er niet aan in de weg staat dat, wanneer uit de arbeidsongevallenwet voortvloeiende vergoedingen aan de getroffenen worden betaald op grond van de gesloten arbeidsongevallenverzekering, de arbeidsongevallenverzekeraar geen verhaal mag uitoefenen tegen de werkgever, zijn verzekerde, omdat hij zijn uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen moet nakomen.

    Het verbreekt dan ook het vonnis in hoger beroep gewezen op 24 juni 2010 door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, dat de subrogatoire rechtsvordering van de arbeidsongevallenverzekeraar in beginsel gegrond verklaart tegen de werkgever, haar verzekerde, wegens schending van de artikelen 47, arbeidsongevallenwet, en 41, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst.

    Het cassatiearrest van 13.01.2014 (A.R. nr. C. .13.0208.N) stelt dat uit de bepaling van artikel 47°AOW volgt dat de arbeidsongevallenverzekeraar tot beloop van de gedane uitkeringen en gevestigde kapitalen in de rechten treedt die het slachtoffer of zijn rechthebbenden hadden kunnen uitoefenen op grond van het gemene recht tegen de persoon die aansprakelijk is voor de schade die krachtens de arbeidsongevallenwet wordt vergoed. Het vernietigt dan ook het bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12.11.2012 waarbij geoordeeld was dat de arbeidsongevallenverzekeraar geen recht van verhaal tegen de aansprakelijke had op grond van artikel 47 van de arbeidsongevallenwet voor de schade ingevolge de hersenbloeding, die het slachtoffer opgelopen had bij de behandeling van diens polsbreuk (letsel opgelopen bij het arbeidsongeval).

    Het cassatiearrest van 04.12.2013 (A.R. nr. P.13.0285.F) brengt in herinnering dat het voorwerp van de regresvordering die de arbeidsongevallenverzekeraar kan instellen tegen de voor het arbeidsongeval aansprakelijke persoon, het bedrag niet kan overschrijden van de schadevergoeding die de getroffene voor dezelfde schade naar gemeen recht had kunnen verkrijgen. Het bestreden arrest miskende die regels niet door te beslissen dat, met betrekking tot het aansprakelijkheidsbeginsel, de subrogerende partij wegens haar eigen fout een vijfde van haar schade moet dragen, zodat de gesubrogeerde partij haar onkosten slechts kan terugvorderen tot beloop van een bedrag dat de vier vijfde van diezelfde schade niet overschrijdt. Het bestreden arrest had immers niet beslist dat de arbeidsongevallenverzekeraar nooit recht zal hebben op meer dan tachtig procent van het bedrag van de vergoeding die hij het slachtoffer heeft uitbetaald maar enkel dat hij, wat niet hetzelfde is, slechts recht heeft op tachtig procent van het nog niet vastgestelde bedrag van de vergoeding die aan het slachtoffer naar gemeen recht verschuldigd is.

    Het cassatiearrest van 25.09.2012 (A.R. nr. P.11.1950.N) brengt in herinnering dat, krachtens artikel 46, § 2, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet, het slachtoffer en zijn rechthebbenden aanspraak kunnen maken op vergoeding van lichamelijke schade volgens het gemene recht, in zoverre de op grond van het gemene recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de wettelijke vergoedingen die aan de getroffene worden betaald op grond van de arbeidsongevallenwet en enkel tot beloop van het verschil; om dit verschil te berekenen moet de rechter dus een vergelijking maken tussen de vergoedingen berekend volgens de regels van het gemene recht en de vergoedingen berekend volgens de regels van de arbeidsongevallenwet.

    Het cassatiearrest van 16.01.2012 (A.R. nr. C.11.0256.N), R.A.B.G. 2012, nr. 14, 958-965, brengt in herinnering dat de vordering die de arbeidsongevallenverzekeraar op grond van de artikelen 46 en 47 van de arbeidsongevallenwet kan instellen tegen de derde die voor een arbeidsongeval aansprakelijk is, berust op een indeplaatsstelling waardoor de schuldvordering van het slachtoffer of van zijn rechthebbenden uit hun vermogen overgaat naar de verzekeraar tot beloop van de door deze betaalde vergoedingen en van het kapitaal dat de door hem verschuldigde waarde van de jaarlijkse vergoedingen of renten. Deze subrogatie is dan ook niet beperkt tot de fractie van de betaalde wettelijke vergoedingen die gelijk is aan de fractie van de aansprakelijkheid die ten laste van de derde komt.

    Het cassatiearrest van 21.02.2011 (A.R. nr. C.10.0520.N), Pas. 2011, 610, zegt voor recht dat artikel 47 van de arbeidsongevallenwet inhoudt dat de arbeidsongevallenverzekeraar die aan het slachtoffer de wettelijke vergoedingen heeft betaald wegens tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, van de aansprakelijke de betaling kan vorderen van het bedrag van die vergoedingen, met inbegrip van de daarop rustende lasten, tot beloop van de gemeenrechtelijke vergoeding die het slachtoffer had kunnen verkrijgen voor dezelfde schade. Die gemeenrechtelijke vergoeding mag evenwel alleen op basis van het brutoloon berekend worden indien de rechter vaststelt dat de lasten die erop zouden rusten, overeenstemmen met de lasten op het loon dat het slachtoffer ingevolge het ongeval heeft moeten derven.

    Het cassatiearrest van 04.10.2010 (A.R. nr. C.09.0475.N.) brengt in herinnering dat het cumulatieverbod van artikel 46, §2, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet slechts geldt in zoverre de schade waarvoor vergoeding gevorderd wordt, gedekt wordt door de arbeidsongevallenwet, en verbreekt het arrest, op 11.02.2009 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, dat bij de vergelijking tussen de vergoeding op grond van de arbeidsongevallenwet en die op grond van het gemene recht, het volledig bedrag had betrokken van de gemeenrechtelijke vergoeding voor materiële schade (inclusief de blijvende huishoudelijke schade) wegens blijvende arbeidsongeschiktheid.

    Het cassatiearrest van 22.06.2010 (A.R. nr. P.09.1912.N) stelt dat bij de bepaling van de gemeenrechtelijke vergoeding waarop het slachtoffer of zijn rechthebbende aanspraak kan maken voor inkomensverlies, het volledige kapitaal gevestigd op grond van de arbeidsongevallenwet dient in mindering te worden gebracht van de gemeenrechtelijke vergoeding voor inkomensverlies, ook al wordt dat kapitaal bepaald op grond van de volledige statistische overlevingsduur, terwijl de gemeenrechtelijke vergoeding voor inkomensverlies bepaald wordt op grond van de lucratieve levensduur.

    Het cassatiearrest van 14.04.2010, De Verz. 2010, 287, noot F. Herpoel, brengt in herinnering dat artikel 47 van de arbeidsongevallenwet de verzekeringsonderneming toestaat om een rechtsvordering in te stellen tegen de voor het arbeidsongeval aansprakelijke tot beloop van de aan het slachtoffer gedane uitkeringen tot herstel van de materiële schade die voortvloeit uit de vermindering van zijn arbeidsgeschiktheid. De verzekeraar kan die burgerlijke vordering instellen op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbenden en in de rechten worden gesubrogeerd die voormelden krachtens het gemeen recht hadden kunnen uitoefenen. Wanneer het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 27.11.2009 vaststelt dat de benadeelde subrogant zich regelmatig, vóór het verval van de strafvordering, burgerlijke partij heeft gesteld, beslist het dan ook naar recht om de vordering van de gesubrogeerde, die na de verjaring van de voormelde vordering is ingesteld, ontvankelijk te verklaren.

    Het cassatiearrest van 25.01.2010, J.T.T. 2010, 189, brengt andermaal in herinnering dat het slachtoffer van een arbeidsongeval van de derde die voor het ongeval aansprakelijk is, alleen de vergoeding van zijn lichamelijke schade kan eisen in zoverre zijn gemeenrechtelijke vergoeding hoger is dan de vergoedingen die de arbeidsongevallenwet hem toekent en preciseert dat, om dat verschil te berekenen, de rechter de volgens de gemeenrechtelijke regels berekende vergoedingen moet vergelijken met die welke berekend worden volgens de regels bepaald in de arbeidsongevallenwet. Het verbreekt dan ook het vonnis, op 22.06.2007 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, dat die vergelijking niet had gemaakt en had beslist dat de niet verminderde vergoeding, bepaald in artikel 24, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet, noodzakelijkerwijs overeenstemt met de vergoeding die volgens het gemeen recht voor dezelfde schade is verschuldigd.

    Het cassatiearrest van 06.01.2010, R.G.A.R. 2010, nr. 14.634, brengt in herinnering dat het slachtoffer van een arbeidsongeval van de derde die voor het ongeval aansprakelijk is, alleen de vergoeding van zijn lichamelijke schade kan eisen in zoverre zijn gemeenrechtelijke vergoeding hoger is dan de vergoedingen die de arbeidsongevallenwet hem toekent. Aangezien die regel van openbare orde is, moet de rechter, desnoods ambtshalve, de gemeenrechtelijke vergoedingen vergelijken met de vergoedingen krachtens de arbeidsongevallenwet. Het verbreekt dan ook het vonnis, op 19.05.2009 in hoger beroep door de correctionele rechtbank te Luik gewezen, dat aan het slachtoffer de vergoedingen had toegekend, enerzijds voor zijn administratieve kosten en verplaatsingskosten, anderzijds voor de bijstand van derde, zonder dat het had onderzocht in hoeverre de arbeidsongevallenverzekeraar die schade eventueel reeds had vergoed met toepassing van de artikelen 24 en 33 van de arbeidsongevallenwet.

    Het cassatiearrest van 08.10.2007 (A.R. nr. C.05.0496.F.) brengt in herinnering dat krachtens artikel 47 van de arbeidsongevallenwet de arbeidsongevallenverzekeraar in de rechten van het slachtoffer treedt tegen de voor het ongeval aansprakelijke derde of diens verzekeraar, binnen de grenzen van het bedrag van zijn uitgaven, enerzijds, en van het bedrag dat het slachtoffer volgens het gemeen recht had kunnen verkrijgen, anderzijds en bijgevolg slechts de brutobedragen kan terugvorderen die hij aan het slachtoffer als vervangingsinkomen heeft uitbetaald, voor zover wordt vastgesteld dat de vergoeding die het slachtoffer volgens het gemeen recht had kunnen verkrijgen, op dezelfde wijze als zijn loon zou zijn belast. Het Hof van Cassatie verbreekt dan ook het vonnis, op 10.06.2005 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, waarbij beslist was dat de vergoeding naar gemeen recht socialezekerheidsbijdragen bevat, op grond dat zij krachtens de wetgeving op de arbeidsongevallen door het slachtoffer verschuldigd zijn.

    Het cassatiearrest van 11.06.2007 (A.R. nr. C.06.0255.N.) brengt opnieuw in herinnering dat het in artikel 46, § 2, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet omschreven cumulatieverbod inhoudt dat het slachtoffer ten aanzien van de voor het ongeval aansprakelijke derde slechts vergoeding van de lichamelijke schade kan eisen wanneer de volgens het gemeen recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de schadeloosstelling die op grond van de arbeidsongevallenwet aan het slachtoffer wordt toegekend en enkel voor het verschil. Het verbreekt dan ook het vonnis, op 05.01.2006 in graad van beroep gewezen door de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne, die had geoordeeld dat, nu door de arbeidsongevallenverzekeraar aan de eiser geen vergoeding wegens meerinspanningen werd toegekend, de aansprakelijke evenmin gehouden kon zijn tot enige vergoeding wegens meerinspanningen.

    Het cassatiearrest van 19.12.2006 (A.R. nr. P.06.0944.N) stelt dat de vergoedingen voor materiële schade ingevolge tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid betrekking hebben op eenzelfde schade, zodat het totale bedrag van de arbeidsongeschiktheiduitkeringen die ingevolge de arbeidsongevallenwet voor tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid verschuldigd zijn moet worden vergeleken met de totale vergoeding die voor diezelfde schade verschuldigd is volgens het gemene recht. Bijgevolg werd het vonnis van de correctionele rechtbank te Brugge van 17.05.2006 verbroken, waarbij de feitenrechter de vergoeding volgens de arbeidsongevallenwet en het gemene recht niet op het totale bedrag van de vergoeding voor de materiële schade had vergeleken, maar wel de schade wegens loonverlies tijdens de tijdelijke en de blijvende arbeidsongeschiktheid en de schade veroorzaakt door de noodzaak van meerinspanningen afzonderlijk en los van elkaar had vergeleken.

    In dezelfde zin beslist het cassatiearrest van 05.12.2006 (A.R. nr. P.06.1111.N) dat de omstandigheid dat de aansprakelijke voor de schadepost "meerinspanningen" het slachtoffer heeft vergoed, er niet aan in de weg staat dat de arbeidsongevallenverzekeraar als indeplaatsgestelde in de rechten van het slachtoffer overeenkomstig artikel 47 van de arbeidsongevallenwet, tegen die aansprakelijke een rechtsvordering kan instellen voor de recuperatie van de vergoedingen die de arbeidsongevallenverzekeraar aan het slachtoffer heeft uitgekeerd, en dit tot beloop van het bedrag dat volgens het gemene recht aan het slachtoffer verschuldigd is voor dezelfde schade als die welke krachtens de arbeidsongevallenwet is vergoed. Bijgevolg werd het vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel van 19.05.2006 verbroken, waarbij geoordeeld was dat de arbeidsongevallenverzekeraar de terugbetaling niet kan vorderen van de aansprakelijke, vermits zijn rechten waren uitgeput doordat de aansprakelijke bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing was veroordeeld om aan het slachtoffer schadevergoeding te betalen wegens de meerinspanningen die deze moet doen.

    Het cassatiearrest van 19.04.2006 (A.R. nr. P.05.0525.F) beslist dat de subrogatoire vordering die de arbeidsongevallenverzekeraar krachtens artikel 47 van de arbeidsongevallenwet uitoefent ten aanzien van de aansprakelijke derde ook de interest omvat op het bedrag van de schadeloosstelling die hij heeft betaald en op het kapitaal dat hij heeft samengesteld en dat de maandelijkse uitkering of de rente vertegenwoordigt, en dit vanaf de datum van indeplaatsstelling, dit is de dag van de uitbetaling van de voormelde schadeloosstelling of die waarop het voormelde kapitaal is samengesteld.

    Het arrest nr. 88/2005 van het Arbitragehof van 11.05.2005, B.S. 20.06.2005, zegt voor recht dat artikel 47 van de arbeidsongevallenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het niet uitsluit dat de arbeidsongevallenverzekeraar die een uitzendkracht heeft vergoed, bij de gebruiker van die werknemer de terugbetaling kan vorderen van de vergoedingen die bij de wet zijn voorgeschreven in de gevallen waarin de werkgever van een vaste werknemer niet tot een dergelijke terugbetaling zou kunnen worden gedwongen, als aansprakelijke voor een dergelijk ongeval dat zijn werknemer zou zijn overkomen.

    Het arrest nr. 124/2004 van het Arbitragehof van 07.07.2004, B.S. 5.10.2004, J.T.T. 2004, 451 zegt voor recht dat de artikelen 20bis en 46 § 2, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre ze ertoe zouden leiden dat de ouders van het slachtoffer van een dodelijk arbeidsongeval die op grond van die wet een rente hebben ontvangen, niet de gemeenrechtelijke vergoeding kunnen vorderen van de morele schade die het gevolg is van het overlijden, ten laste van de persoon die aansprakelijk is voor het ongeval en die niet de werkgever of een van zijn aangestelden of lasthebbers is.

    Het cassatiearrest van 15.04.2004 (A.R. nr. C.01.0417.N) zegt voor recht dat de krachtens artikel 47 van de arbeidsongevallenwet gesubrogeerde arbeidsongevallenverzekeraar recht heeft op een integrale vergoeding van zijn schade, hierin begrepen de vergoedende interest vanaf de datum van de vestiging van het rentekapitaal, in zoverre het bedrag van schadevergoeding dat in gemeen recht aan het slachtoffer toekomt, niet wordt overschreden.

    Het cassatiearrest van 16.03.2004 (A.R. nr. P.03.1518.N) zegt voor recht dat de materiële schade die het slachtoffer lijdt ten gevolge van de tijdelijke en blijvende vermindering van zijn arbeidsgeschiktheid bestaat in een vermindering van zijn waarde op de arbeidsmarkt en eventueel ook in de noodzaak zich harder in te spannen bij het volbrengen van zijn normale beroepswerkzaamheden, en dat de volgens het gemene recht toegekende vergoedingen van zodanige schade betrekking hebben op dezelfde materiële beroepsschade als die welke wordt gedekt door de vergoedingen die op grond van de arbeidsongevallenwet worden toegekend, zodat geen bijkomende schade voor geleverde meerinspanningen in gemeen recht kan worden gevorderd.

    Het cassatiearrest van 06.05.2002 (A.R. nr. C.97.0258.N.) zegt voor recht dat de gemeenrechtelijke vordering waarop de weduwe van het dodelijk slachtoffer van een arbeidsongeval in eigen naam gerechtigd is niet dezelfde schade herstelt als de aan de kinderen toegekende arbeidsongevallenrente of het kapitaal dat die rente vertegenwoordigt. Het verbreekt dan ook het arrest van 27.02.1997 van het Hof van Beroep te Brussel dat had beslist dat de door de arbeidsongevallenverzekeraar ten voordele van de kinderen van het overleden slachtoffer gevestigde kapitalen niet van de voor het arbeidsongeval aansprakelijken en van hun verzekeraar kunnen worden teruggevorderd omdat deze bedragen dubbel gebruik uitmaken met het toegekende inkomstenverlies aan de moeder.

    Het cassatiearrest van 27.02.2002 (A.R. nr. P.01.1492.F) verbreekt het vonnis van 15.10.2001 van de correctionele rechtbank van Dinant dat, krachtens het gemeenrechtelijk beginsel dat de schade volledig moet vergoed worden ook al worden de nodige herstellingen van de tandletsels niet uitgevoerd, de voor het ongeval aansprakelijke en de burgerrechtelijk aansprakelijke had veroordeeld om aan het slachtoffer van het ongeval de kosten van behandeling van tandletsels terug te betalen.

    3. Overeenkomstig art. 48 van de arbeidsongevallenwet zijn de bij deze wet bepaalde vergoedingen niet verschuldigd, wanneer het ongeval door het slachtoffer opzettelijk is veroorzaakt.

    Wegens schending van dit wetsartikel verbreekt het cassatiearrest van 25.11.2002, Soc. Kron. 2003, 320, noot P. Hubain, het arrest van 25.06.2001 van het arbeidshof te Brussel dat de arbeidsongevallenvergoedingen had geweigerd aan het slachtoffer dat een vechtpartij met een collega had uitgelokt. Het Hof velde deze uitspraak op eensluidend advies van advocaat-generaal J.F. Leclercq die uit de vaststellingen van het bestreden arrest besloot dat dit arrest de messteek die de werkmakker van het slachtoffer aan laatstgenoemde toebracht bij de achtervolging, en niet de vechtpartij (toestand welke voorafging aan de messteek) als plotselinge gebeurtenis had erkend en die uit de vaststellingen van het bestreden arrest niet kon afleiden dat het slachtoffer deze messteek opzettelijk had uitgelokt.

  • Verzekering en Fedris

    Het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 146/2015 van 22.10.2015 zegt voor recht dat artikel 59quater AOW de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het in de aan de Koning verleende machtiging om de wijze van berekening, inning en invordering te bepalen van de bijdrage voor ambtshalve aansluiting die verschuldigd is door de werkgevers die geen arbeidsongevallenverzekering hebben afgesloten, niet voorziet in de bevoegdheid om die sanctie met een eventueel uitstel gepaard te doen gaan.

    Het cassatiearrest van 05.01.2015 (A.R. nr. C.13.0385.F), J.T.T. 2015, 198, Conclusie van advocaat-generaal Genicot, stelt dat de arbeidsongevallenverzekeraar niet in gebreke blijft in de zin van artikel 58, §1, 3° AOW, wanneer hij de toepassing van de Arbeidsongevallenwet op het ongeval betwijfelt of weigert het ongeval ten laste te nemen.

    Het Grondwettelijk Hof doet in het arrest nr. 156/2013 van 21.11.2013 geen uitspraak over de verenigbaarheid met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel van het verschil in situatie tussen enerzijds de werkgever die, bij de arbeidsrechtbank, een beroep heeft ingesteld tegen een door het Fonds voor arbeidsongevallen genomen beslissing tot ambtshalve aansluiting, en anderzijds de werkgever die voor de tewerkstelling van niet verzekerd personeel voor de correctionele rechtbank wordt vervolgd, omdat in de voorliggende zaak geen beroep was ingesteld tegen de beslissing tot ambtshalve aansluiting maar wel een vordering was ingesteld door het Fonds voor arbeidsongevallen tot betaling van de nog niet betaalde bijdrage.

    De Raad van State vernietigt bij arrest nr. 204.191 van 21.05.2010 het K.B. van 08.05.2007 betreffende de premiedifferentiatie inzake arbeidsongevallen.

    Het arrest nr. 40/2008 van 04.03.2008 van het Grondwettelijk HofB.S. 17.03.2008, De Verz. 2008, 279, noot L. Van Gossum, verwerpt het annulatieberoep dat door de beroepsvereniging van verzekeringsondernemingen Assuralia was ingesteld tegen het artikel 49quater van de arbeidsongevallenwet, zoals ingevoegd door art. 177 van de wet van 27.12.2006 houdende diverse bepalingen (I).

    Het cassatiearrest van 03.11.2008 (A.R. nr. S.08.007.N) verbreekt het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 05.09.2007, waarbij beslist werd dat de persoon die als werknemer en aangestelde van de Belgische Staat een ontspanningscentrum uitbaatte, en in die hoedanigheid verantwoordelijk was voor de arbeidsrechtelijke en sociaalrechtelijke verplichtingen met betrekking tot een personeelslid van het ontspanningscentrum dat slachtoffer werd van een arbeidsongeval voor de toepassing van de arbeidsongevallenwet als verzekeringsplichtige werkgever moet beschouwd worden, en bijgevolg, omwille van het ontbreken van een arbeidsongevallenverzekering, in toepassing van art. 60 van deze wet tot de terugbetaling van de schadeloosstelling van het ongeval aan het Fonds voor arbeidsongevallen zou zijn gehouden.

  • Procedure van schadeloosstelling

    1. Overeenkomstig artikel 63 § 2 van de arbeidsongevallenwet moet de verzekeringsonderneming die weigert het ongeval ten laste te nemen of die oordeelt dat er twijfel bestaat inzake de toepassing van de wet op het ongeval, binnen de dertig dagen die volgen op de ontvangst van de aangifte van het arbeidsongeval de verzekeringsinstelling, waarbij het slachtoffer is aangesloten of waar hij is ingeschreven overeenkomstig de wetgeving betreffende de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, verwittigen.

    In geval van betwisting omtrent de aard of de graad van arbeidsongeschiktheid van de getroffene of omtrent de graad van behoefte aan de geregelde hulp van een ander persoon, is de verzekeringsonderneming overeenkomstig artikel 63 § 4 van de arbeidsongevallenwet verplicht de dagelijkse of jaarlijkse vergoeding bij voorschot te betalen op grond van de door haar voorgestelde graad van blijvende ongeschiktheid of de graad van behoefte aan de geregelde hulp van een ander persoon. 

    Het cassatiearrest van 23.11.2015 (A.R. nr. S.13.0078.N), Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden, zegt voor recht dat de krachtens artikel 63, § 2, vierde lid, AOW op de verzekeringsonderneming op straffe van verhaal rustende verplichting de verzekeringsinstelling te verwittigen, niet alleen geldt bij wijziging van de graad van de arbeidsongeschiktheid als dusdanig, maar ook wanneer de arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van de verzekeringsonderneming niet meer het gevolg is van het arbeidsongeval, maar van een andere oorzaak. Het verbreekt dan ook het arrest van het arbeidshof te Brussel van 21.01.2013, dat had geoordeeld dat op de verzekeringsonderneming geen verwittigingsplicht rustte, omdat de arbeidsongeschiktheid ongewijzigd was gebleven en enkel niet meer het gevolg was van het arbeidsongeval maar wel van een heelkundige ingreep vreemd aan het arbeidsongeval.

    Het cassatiearrest van 11.06.2007 (A.R. nr. S.06.0090.N), Pas. 2007, I, 1187, De Verz. 2007, 403, J.T.T. 2007, 334, zegt voor recht dat de beslissing die de omvang van de rechten vaststelt na een provisionele beslissing over dezelfde rechten, in casu op betaling van de vergoedingsvoorschotten voor de blijvende arbeidsongeschiktheid in toepassing van artikel 63, §4, van de arbeidsongevallenwet, geen nieuwe beslissing is in de zin van de artikelen 17 en 18 van de Wet van 11.04.1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde.

    Het cassatiearrest van 08.09.2003Soc. Kron. 2004, 209, zegt voor recht dat deze in artikel 63 van de arbeidsongevallenwet omschreven meldingsplicht van de arbeidsongevallenverzekeraar niet geldt voor het Fonds voor arbeidsongevallen.

    2. Overeenkomstig artikel 68 van de arbeidsongevallenwet vallen de kosten van alle vorderingen gesteund op deze wet ten laste van de verzekeringsonderneming, behalve wanneer de eis roekeloos en tergend is.

    Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 61/2016 van 28 april 2016 voor recht gezegd dat artikel 68 van de arbeidsongevallenwet de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt.

    3. Overeenkomstig artikel 69 van de arbeidsongevallenwet verjaart de rechtsvordering tot betaling van de vergoedingen na drie jaar. Overeenkomstig artikel 70 van dezelfde wet kan deze verjaring ook gestuit worden door een rechtsvordering tot betaling wegens het arbeidsongeval, gesteund op een andere rechtsgrond.

    Het cassatiearrest van 16.03.2015 (A.R. nr. S.12.0102.F), Conclusie van advocaat-generaal Genicot, zegt voor recht dat de verjaringstermijn van art. 69 AOW ingaat op het tijdstip waarop het recht op vergoeding ontstaan is, zodat het ontbreken van de vermeldingen in de kennisgeving van de beslissing die zijn voorgeschreven door art. 4 van het KB van 24.11.1997 tot uitvoering, wat de arbeidsongevallenverzekering in de private sector betreft, van sommige bepalingen van de wet van 11.04.1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde, niet tot gevolg kan hebben dat de verjaringstermijn van drie jaar van de rechtsvordering tot betaling van vergoedingen niet ingaat.

    Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 43/2010 van 29.04.2010B.S. 12.07.2010, voor recht gezegd dat het artikel 69 van de arbeidsongevallenwet, zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan bij artikel 61 van de wet van 13.07.2006 houdende diverse bepalingen inzake beroepsziekten en arbeidsongevallen en inzake beroepsherinschakeling, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. In deze vroegere versie kon het artikel 69 van de arbeidsongevallenwet immers tot gevolg hebben dat het de verjaringstermijn van de aanvragen van bijslagen wegens verergering doet ingaan op een ogenblik waarop het slachtoffer van het ongeval niet weet dat het door zijn gezondheidstoestand het recht zou kunnen krijgen om ze te vorderen en deed het aldus zonder redelijke verantwoording op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van het slachtoffer van een arbeidsongeval.

    Het cassatiearrest van 08.02.2010, (A.R. nr. S.09.0029.F) herinnert eraan dat het wettelijk vermoeden van de artikelen 2, vierde lid, arbeidsongevallenwet overheidspersoneel en art. 9 van de arbeidsongevallenwet is ingevoerd ten gunste van het slachtoffer van het ongeval en zijn rechthebbenden en alleen door hen kan worden aangevoerd. Dit impliceert dat de werkgever (publieke sector) of de arbeidsongevallenverzekeraar (privésector), met uitsluiting van elke redelijke twijfel, de datum moeten aantonen van de gebeurtenis die de verjaringstermijn heeft doen ingaan. Zij kunnen zich wat dat betreft op geen enkel wettelijk vermoeden beroepen. Het vernietigt dan ook het arrest van 24.11.2008 van het arbeidshof te Brussel, dat de verjaringstermijn had doen ingaan op 10.08.1999, op grond dat het slachtoffer niet had aangetoond dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid in de periode van 10 tot 24.08.1999 ten gevolge van zijn longontsteking en de plotselinge gebeurtenis (brand met ontploffing) van 04.05.1999.

    Het cassatiearrest van 19.06.2006, concl. eerste adv.-gen J.F. Leclercq (A.R. nr. S.05.0108.N)  zegt voor recht dat de driejarige verjaringstermijn van het artikel 69, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van toepassing is op de vordering tot betaling van de interest op aanpassingsbijslagen.

    Het cassatiearrest van 08.05.2006 (A.R. nr. S.05.005.F), zegt voor recht dat uit artikel 70 van de arbeidsongevallenwet niet kan worden afgeleid dat elke rechtsvordering tot betaling wegens het arbeidsongeval, ongeacht het voorwerp ervan, de verjaring zou schorsen van een vordering met dezelfde rechtsgrond maar met een ander voorwerp. Het Hof verbreekt dan ook het arrest van het arbeidshof te Luik van 11.09.2003 dat had aangenomen dat de verjaring was gestuit van de vordering tot betaling van de verergeringsbijslagen die bij conclusie was ingesteld in een procedure die door het slachtoffer was ingesteld om betaling te bekomen van kinesitherapiekosten die ingevolge de verergering van de letsels opgelopen bij het arbeidsongeval noodzakelijk waren geworden.

    Het cassatiearrest van 09.12.2002Soc.Kron. 2003, 324, concl. Adv.Gen. Leclercq, zegt voor recht dat de driejarige verjaringstermijn van artikel 69, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet toepassing vindt op de aanpassingsbijslagen die door het Fonds voor arbeidsongevallen zijn verschuldigd.

    4. Overeenkomstig artikel 72, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet kan de eis tot herziening van de vergoedingen, gegrond op een wijziging van het verlies van arbeidsgeschiktheid van de getroffene of van de noodzakelijkheid van de geregelde hulp van een ander persoon of op het overlijden van de getroffene aan de gevolgen van het ongeval, ingesteld worden binnen drie jaar die volgen op de datum van homologatie of de bekrachtiging van de overeenkomst tussen de partijen, of van de in artikel 24 bedoelde beslissing of kennisgeving, of de datum van het ongeval indien de tijdelijke arbeidsongeschiktheid geen zeven dagen overschrijdt en indien de verzekeringsonderneming de getroffene genezen verklaart zonder blijvende arbeidsongeschiktheid. Overeenkomstig (het inmiddels opgeheven) artikel 72, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet konden de getroffene of zijn rechthebbenden binnen de drie jaar die volgen op de dag van de kennisgeving van de beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid een rechtsvordering instellen tegen die beslissing.

    Het cassatiearrest van 14.12.2015 (A.R. nr. S.13.0067.F), Conclusie advocaat-generaal Genicot, stelt dat de verzekeringsonderneming en de getroffene, nadat de consolidatiedatum en de jaarlijkse vergoeding werden vastgesteld bij gerechtelijke uitspraak, een onderscheiden overeenkomst kunnen sluiten over de prothesen en orthopedische toestellen die door het ongeval genoodzaakt zijn, en dat het Fonds voor arbeidsongevallen die overeenkomst kan bekrachtigen of de arbeidsrechtbank deze kan beoordelen, ook wanneer het verlies van arbeidsgeschiktheid van de getroffene geen wijzigingen ondergaat.

    Het cassatiearrest van 14.03.2011 (A.R. nr. S.10.0043.F), Pas. 2011, 798, J.T.T. 2011, 339 zegt voor recht dat een tegenvordering tot herziening na het verstrijken van de driejarige herzieningstermijn alleen kan worden ingesteld tegen een partij die zelf ook een vordering tot herziening heeft ingesteld.

    Het cassatiearrest van 25.10.2010 (A.R. nr. S.09.0052.F.) stelt dat de herzieningstermijn geen aanvang neemt vanaf het in kracht van gewijsde gaan van de beslissing die de consolidatiedatum vaststelt, maar pas begint te lopen vanaf de in kracht van gewijsde gegane beslissing die de overige elementen ter berekening van de jaarlijkse arbeidsongevallenvergoeding, zoals de graad van arbeidsongeschiktheid en het basisloon, bepaalt. Het verbreekt dan ook het arrest, op 16.02.2009 gewezen door het arbeidshof te Brussel, dat geoordeeld had dat het recht op een jaarlijkse vergoeding voortvloeide uit het vonnis van 01.10.1999, dat de datum van consolidatie en de graad van blijvende ongeschiktheid had vastgesteld en in kracht van gewijsde was gegaan op 15.09.2001 met de motivering dat niet vereist is dat het basisloon daarenboven moet zijn vastgesteld in een in kracht van gewijsde gegane beslissing, aangezien de vordering tot herziening alleen betrekking heeft op de wijziging van de graad van blijvende ongeschiktheid.

    Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 102/2009 van 18.06.2009B.S. 6.08.2009, voor recht gezegd dat het (inmiddels opgeheven) artikel 72, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre de termijn van drie jaar waarover het slachtoffer van een arbeidsongeval beschikt om de beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid te betwisten, een vaste termijn is.

    Het cassatiearrest van 26.05.2008 (A.R. nr. S.07.0111.F), J.T.T. 2009, 2, verwerpt, tegen het advies in van advocaat-generaal J.M. Genicot, de voorziening in cassatie tegen het arrest van het arbeidshof van Brussel van 18.12.2006, dat een herziening van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid van 3 % naar 6 % had aangenomen op basis van een deskundig verslag, waarbij was vastgesteld dat de verergering van de letsels opgelopen bij het arbeidsongeval toe te schrijven was aan de aanwezigheid van een letsel en een vreemd voorwerp, dat men bij de initiële röntgenfoto’s niet had opgemerkt en waarmee dan ook geen rekening was gehouden bij het afsluiten van de initiële regeling van het ongeval.

    Het cassatiearrest van 04.06.2007Pas. 2007, I, 1060, stelt dat de rechter die gevat is door een eis in herziening, teneinde het gezag van gewijsde te respecteren, moet onderzoeken of de rechter die door de oorspronkelijke eis tot vergoeding was gevat, kennis had of kon gehad hebben van de feiten die als grond voor de herzieningsvraag fungeren.

    Het cassatiearrest van 24.05.2004 (A.R. nr. S.02.0119.F), J.T.T. 2004, 463, zegt voor recht dat enerzijds artikel 24, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet de Koning enkel het recht gaf om de modaliteiten van de kennisgeving van de beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid te bepalen, maar niet om af te wijken van het vereiste van een kennisgeving, en dat anderzijds geen enkele wettelijke bepaling de Koning het recht gaf om het aanvangstijdstip te wijzigen van de termijn waarbinnen de eis tot herziening en de rechtsvordering, bedoeld in artikel 72 van de arbeidsongevallenwet, moeten worden ingesteld. 

    Het cassatiearrest van 13.05.2002J.T.T. 2002, 359, Soc. Kron. 2003, 319, De Verz. 2002, 615, noot B. Vangaever, zegt voor recht dat de bij artikel 72, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet bepaalde (inmiddels opgeheven) termijn van drie jaar geen verjaringstermijn is, maar een vaste termijn die de openbare orde raakt, die niet kan worden geschorst of gestuit, en waarvan het verstrijken het verval van het recht zelf tot gevolg heeft.

    5. Overeenkomstig art. 74, tweede lid, AOW worden prejudiciële geschillen die zich stellen vóór de strafrechter in verband met de interpretatie van de arbeidsongevallenwet beslecht door het arbeidsgerecht.

    Het cassatiearrest van 07.10.2015 (A.R. nr. P.15.0185.F), stelt dat de in artikel 74, tweede lid, AOW bedoelde prejudiciële exceptie betrekking moet hebben op de interpretatie van de AOW. Het Hof van Beroep te Brussel kon dan ook in het arrest van 19.01.2015 naar recht beslissen dat de getroffene op het ogenblik van het ongeval niet door een arbeidsovereenkomst was verbonden.

Richtlijnen

Naast wetten en uitvoeringsbesluiten bestaan er ook richtlijnen die toelichten hoe de regelgeving in de praktijk wordt toegepast.

Deze richtlijnen geven verduidelijking bij bestaande wettelijke bepalingen en ondersteunen een eenvormige toepassing door verzekeraars, werkgevers en administraties. Ze hebben geen zelfstandige wetgevende kracht, maar spelen een belangrijke rol bij de dagelijkse uitvoering en interpretatie van de regels.

De richtlijnen vullen de wetgeving aan, maar vervangen die niet. Bij tegenstrijdigheden blijft steeds de formele wetgeving bepalend.

Op deze pagina zijn richtlijnen opgenomen die betrekking hebben op arbeidsongevallen.

De richtlijnen zijn hier gegroepeerd in drie categorieën.

  • Aanschrijvingen van Fedris bevatten praktische instructies en verduidelijkingen voor de toepassing van de arbeidsongevallenregeling. Ze richten zich vooral tot actoren die betrokken zijn bij de uitvoering, zoals verzekeraars en administraties.
  • Ministeriële aanschrijvingen zijn richtlijnen afkomstig van de bevoegde minister. Ze verduidelijken bepaalde aspecten van de regelgeving of geven richting aan de toepassing ervan binnen het bestaande wettelijke kader.
  • Ministeriële omzendbrieven zijn administratieve richtlijnen die aangeven hoe de regelgeving moet worden toegepast, voornamelijk binnen de publieke sector. Ze dragen bij aan een consistente uitvoering door overheidsdiensten.

Geschiedenis

Fedris, het Federaal agentschap voor beroepsrisico’s, bestaat sinds 1 januari 2017. Het agentschap ontstond uit de fusie van het Fonds voor Arbeidsongevallen (FAO) en het Fonds voor Beroepsziekten (FBZ). Door beide instellingen samen te brengen, werd de expertise rond arbeidsongevallen, beroepsziekten en preventie voor het eerst gebundeld binnen één geïntegreerd agentschap.

 

Het Fonds voor Arbeidsongevallen (FAO)

Het FAO werd opgericht in 1967. De bedoeling was een centraal fonds te creëren dat toezicht hield op het stelsel van arbeidsongevallen en een waarborgfunctie vervulde voor werknemers wanneer werkgevers niet verzekerd waren of verzekeringsmaatschappijen hun verplichtingen niet nakwamen. Het FAO verzamelde bovendien statistieken, analyseerde trends en ondersteunde zo het beleid rond arbeidsveiligheid.

In 1971 werd het wettelijk kader voor arbeidsongevallen in de privésector grondig gemoderniseerd via de wet van 10 april 1971. Deze wet bepaalde wie onder het stelsel valt, welke situaties als arbeidsongeval worden erkend, hoe vergoedingen worden berekend en hoe het dossierverloop verloopt. Voor de openbare sector bestond al de wet van 3 juli 1967, die de regeling vastlegde voor arbeidsongevallen, ongevallen op weg van en naar het werk en beroepsziekten bij ambtenaren.

 

Het Fonds voor Beroepsziekten (FBZ)

Na de Tweede Wereldoorlog werden in België de eerste regelingen en commissies opgezet die zich bezighielden met beroepsziekten, vooral voor mijnwerkers en zwaar industriële sectoren. Het Fonds voor Beroepsziekten zelfs werd pas opgericht in 1963. Er was nood aan een gespecialiseerd fonds dat beroepsziekten kon erkennen, behandelen en vergoeden, en bovendien preventieve maatregelen kon ondersteunen. 

De belangrijkste wetgeving was en blijft de wet van 24 december 1963, die het erkenningssysteem van beroepsziekten uitbreidde en het FBZ een klare wettelijke structuur gaf. 

 

Naar één agentschap: de oprichting van Fedris

De fusie van FAO en FBZ tot Fedris in 2017 was een logische evolutie in een arbeidsmarkt die steeds sneller verandert. Door beide organisaties samen te brengen, werd één agentschap gecreëerd dat:

  • alle informatie rond arbeidsongevallen en beroepsziekten centraliseert,

  • dienstverlening vereenvoudigt voor werknemers, werkgevers en zorgprofessionals,

  • de kennis rond medische beoordeling, preventie en begeleiding bijeen brengt,

  • efficiënter beleid en statistiek ondersteunt vanuit één geïntegreerde structuur.

 

Op de website van de FOD Sociale Zekerheid vind je meer informatie over de geschiedenis van de sociale zekerheid

Asbestfonds

Het Asbestfonds (AFA) maakt deel uit van Fedris en ondersteunt mensen die ziek worden door blootstelling aan asbest in België. Het AFA werd opgericht in 2007 om slachtoffers op een snelle en toegankelijke manier te helpen, zonder dat zij een lange aansprakelijkheidsprocedure moeten doorlopen. Dat is belangrijk, omdat asbestziekten vaak pas tientallen jaren na de blootstelling tot uiting komen en de oorspronkelijke werkgever of situatie soms niet meer te achterhalen is.

Vergoeding bij bepaalde ziekten

Het AFA erkent en vergoedt diverse ziekten die erkend zijn als asbestgerelateerd, waaronder mesothelioom, asbestose, bilaterale diffuse pleuraverdikkingen, long-, strottenhoofd- of eierstokkanker — op voorwaarde dat er voldoende blootstelling was aan asbest in België.  Niet alleen (ex)-werknemers kunnen een aanvraag indienen, maar ook mensen die in hun leefomgeving met asbest in contact kwamen. Ook nabestaanden kunnen een aanvraag indienen wanneer iemand aan een asbestziekte overlijdt.

Naast de financiële tegemoetkomingen voorziet AFA ook in de terugbetaling van bepaalde gezondheidszorgkosten en kan het hulp van derden vergoeden wanneer het slachtoffer zwaar beperkt raakt in het dagelijkse leven. 

Een preventieve en sociale functie

Daarnaast heeft het AFA ook een belangrijke preventieve opdracht.  Zo draagt het AFA niet alleen zorg voor slachtoffers vandaag, maar helpt het ook mee bouwen aan een veiligere omgeving voor de volgende generaties.

Tenslotte verleent het AFA ook ondersteuning aan slachtoffers (bv. huisbezoeken bij slachtoffers van mesothelioom) en ondersteunt de instelling beleidsmakers, onderzoekers en andere professionals door data beschikbaar te stellen en informatie te geven.

Internationale context

Arbeidsongevallen en beroepsziekten stoppen niet aan de landsgrenzen. Personen wonen, werken of verblijven steeds vaker in een andere lidstaat dan waar ze sociaal verzekerd zijn. Dat maakt samenwerking tussen instellingen en landen  noodzakelijk.

 

Europees en internationaal kader

Binnen de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland gelden gemeenschappelijke regels voor de coördinatie van de sociale zekerheid. Deze regels zijn ook van toepassing op arbeidsongevallen en beroepsziekten. Ze zorgen ervoor dat personen hun sociale zekerheidsrechten behouden wanneer zij zich over de grenzen verplaatsen, en dat vastligt welk land bevoegd blijft voor verzekering en vergoedingen.

Buiten de Europese Unie kan België daarnaast gebonden zijn door bilaterale of internationale akkoorden. Deze bepalen hoe arbeidsongevallen en beroepsziekten in een internationale context worden behandeld.

De toepassing van deze regels wijzigt de Belgische procedures niet. Ze verduidelijkt wel hoe verantwoordelijkheden worden verdeeld wanneer een internationale dimensie meespeelt.

 

Internationale context bij arbeidsongevallen – privésector

Voor arbeidsongevallen in de privésector bestaat een aparte pagina die concreet uitlegt hoe internationale situaties worden behandeld.

Deze pagina behandelt onder meer:

  • Belgische verzekerden die in het buitenland wonen of verblijven na een arbeidsongeval;

  • buitenlandse verzekerden die in België een arbeidsongeval hebben gehad;

  • Belgische verzekerden die een arbeidsongeval hebben gehad in het buitenland;

Een aparte pagina over de internationale context bij beroepsziekten in de privésector is nog in ontwikkeling.

 

Internationale context bij arbeidsongevallen en beroepsziekten – publieke sector

Ook voor personeelsleden van de publieke sector kunnen grensoverschrijdende situaties voorkomen bij arbeidsongevallen en beroepsziekten.

Voor deze doelgroep ontwikkelde Fedris een praktische gids Europese regelgeving (pdf), gericht op werkgevers uit de Belgische overheidssector. De gids helpt om de impact van de Europese verordeningen over de coördinatie van de sociale zekerheid (o.a. (EG) 883/2004 en 987/2009) te begrijpen bij arbeidsongevallen en beroepsziekten in grensoverschrijdende situaties.

De gids:

  • licht toe in welke situaties Europese regels van toepassing zijn binnen de Europese Economische Ruimte en Zwitserland;

  • verduidelijkt de verantwoordelijkheden van werkgevers op basis van hun juridisch statuut;

  • beschrijft de rol van Fedris als verbindingsorgaan voor de internationale uitwisseling van sociale zekerheidsgegevens;

  • maakt onderscheid tussen arbeidsongevallen en beroepsziekten;

  • geeft een overzicht van de mogelijke situaties, afhankelijk van het toepasselijke koninklijk besluit, de bevoegde medische dienst en het al dan niet afsluiten van een verzekering;

  • benadrukt dat de Belgische procedures en verplichtingen ongewijzigd blijven.

 

Internationale context bij stages en opleidingssituaties

Ook bij stages en opleidingssituaties (de zogenaamde kleine statuten) kan een internationale context voorkomen. Wanneer een stage of opleiding grensoverschrijdend plaatsvindt, bepalen de Europese coördinatieregels welke sociale zekerheidswetgeving van toepassing is en hoe de verzekering tegen arbeidsongevallen wordt geregeld.

Meer informatie over deze internationale situaties, inclusief praktische toelichting en veelgestelde vragen, is beschikbaar op een aparte pagina over kleine statuten.

 

Uitbetaling door Fedris bij grensoverschrijdende dossiers

Wanneer een vergoeding door Fedris moet worden uitbetaald op een buitenlandse bankrekening, moet het rekeningnummer vooraf aan Fedris worden meegedeeld.

Met het formulier “Aanvraag tot betaling van een vergoeding op een zichtrekening in het buitenland” kan een buitenlandse zichtrekening worden geregistreerd voor de betaling van een vergoeding door Fedris.

 

Europees Forum van verzekeringen tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten

 Fedris neemt deel aan internationale samenwerkingsverbanden waarin kennis, ervaringen en goede praktijken worden uitgewisseld tussen instellingen met gelijkaardige opdrachten.

Zo is Fedris lid van het Europees Forum van verzekeringen tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten.
Dit netwerk brengt Europese instellingen samen die verantwoordelijk zijn voor de verzekering en vergoeding van arbeidsongevallen en beroepsziekten. Het doel is om:

  • samenwerking te versterken,

  • interpretaties van regelgeving op elkaar af te stemmen,

  • expertise te delen over preventie, vergoeding en re-integratie.

 

Nuttige externe websites 

Voor algemene informatie over wonen, werken of sociale zekerheid in een internationale context bestaan er ook andere officiële websites die aanvullende toelichting bieden.

Deze platforms geven geen dossierspecifieke informatie over arbeidsongevallen of beroepsziekten bij Fedris, maar helpen om het bredere internationale kader te begrijpen.

Coming2Belgium
Officiële informatie over sociale zekerheidsrechten bij aankomst in België, bijvoorbeeld om er te wonen, werken of studeren.

Leaving Belgium
Informatie over sociale zekerheid wanneer iemand België verlaat om in het buitenland te wonen, werken, studeren of met pensioen te gaan.

Working in Belgium
Praktische informatie over werken in België, waaronder toegang tot de arbeidsmarkt, administratieve formaliteiten en de rechten en plichten van buitenlandse werknemers.

Settling in Belgium
Algemene informatie voor personen die zich duurzaam in België vestigen, met onder meer aandacht voor verblijf, integratie, overheidsdiensten en administratieve stappen.

Abonneer je op onze nieuwsbrief